ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7914

ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7914, Centrale Raad van Beroep, 29-09-1998, 96/4177 AAW/WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 29-09-1998
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 96/4177 AAW/WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002524 BWBR0004045 BWBR0007126

Samenvatting

Niet is komen vast te staan dat appellante op 1 augustus 1993 weer geschikt was voor de arbeid als secretaresse zoals zij die voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid in 1979 heeft verricht. Voorts is de Raad niet gebleken dat arbeid met eenzelfde belasting en beloning als de arbeid die appellante destijds bij X. heeft verricht, bij andere werkgevers voorhanden was op de datum 1 augustus 1993. De Raad merkt op dat hem niet is gebleken dat aan de onderhavige schatting geschiktheid voor passende functies (mede) ten grondslag is gelegd. Vernietiging uitspraak, alsmede de bestreden beslissing.

Uitspraak

96/4177 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de

plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige

geval is het Lisv in de plaats getreden van de

Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,

Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder

gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze

bedrijfsvereniging.

Namens appellante is mr H.M.T. de Pont, advocaat te Tilburg,

op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger

beroep gekomen van een door de rechtbank te Amsterdam onder

dagtekening 27 maart 1996 tussen partijen gegeven uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 februari 1998 heeft gedaagde een vraag

beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Bij brief van 3 juni 1998 heeft mr De Pont namens appellante

op de inhoud van de hiervoor genoemde stukken gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 september

1998, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan

door mr De Pont, terwijl gedaagde zich heeft doen

vertegenwoordigen door mr P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij Gak

Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Appellante heeft tot 1 november 1979 in een volledige werkweek

gewerkt bij het advocaten- en notariskantoor X. te Y. als

secretaresse van de advocaat mr C.

In verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van een haar

overkomen auto-ongeval zijn appellante met ingang van 1

november 1980 uitkeringen ingevolge de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

Op 29 januari 1993 is appellante door de

ongevalsverzekeringsgeneeskundige van het GAK dr L.P. de Laive

onderzocht. Deze arts achtte appellante geschikt voor haar

werk als secretaresse en heeft haar dat medegedeeld.

Dit oordeel is overgenomen door de verzekeringsgeneeskundige

van de Gemeenschappelijke Medische Dienst E.G. Zijp blijkens

zijn rapport van 16 februari 1993.

Op diezelfde datum heeft appellante gesproken met de

arbeidsdeskundige J.M. van Kesteren. Deze arbeidsdeskundige

heeft appellante medegedeeld dat zij geschikt werd geacht om

gedurende hele dagen als directiesecretaresse werkzaam te zijn.

Bij de bestreden beslissing van 5 juli 1993 heeft gedaagde de

uitkeringen van appellante ingevolge de AAW en de WAO, welke

laatstelijk werden berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1

augustus 1993 ingetrokken, onder overweging dat de mate van

appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum

minder dan 15% was.

Appellante is op verzoek van de rechtbank onderzocht door de

neuroloog dr E. Ch. Wolters. Uitgaande van de datum 1 augustus

1993 heeft deze neuroloog in zijn rapport van 1 mei 1995 voor

appellante een aantal op ziekte of gebrek berustende

beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid

vastgesteld.

Hij acht appellante onder meer ongeschikt voor werk waarbij

repeterende bewegingen met de halswervelkolom moeten worden

gemaakt, waarbij de nek enige uren dezelfde houding moet

aannemen of waarbij anders dan incidenteel belastende

werkzaamheden boven schouderhoogte moeten worden uitgevoerd.

Voorts acht hij appellante ook minder geschikt voor het

verrichten van werkzaamheden onder een hoge werkdruk en/of

stress.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond

verklaard onder overweging dat appellante op 1 augustus 1993

niet langer in dienst van haar werkgever was, zodat niet

langer kon worden uitgegaan van de arbeid zoals appellante die

laatstelijk heeft verricht voordat zij arbeidsongeschikt werd.

Omdat de rechtbank haar geschikt acht voor de soortgelijke

arbeid van een directiesecretaresse, waarvan een aantal

voorbeelden zijn overgelegd, is appellante naar het oordeel

van de rechtbank op 1 augustus 1993 niet langer

arbeidsongeschikt in de zin van de AAW en de WAO.

De Raad moet thans de vraag beantwoorden of de bestreden

beslissing in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

Van toepassing zijn in dit geval artikel 5 van de AAW en

artikel 18 van de WAO, zoals die artikelen luidden voor

1 augustus 1993.

In het voetspoor van de neuroloog dr Wolters, die als

onafhankelijk en onpartijdig deskundige heeft gerapporteerd,

neemt de Raad aan dat voor appellante die beperkingen met

betrekking tot het verrichten van arbeid golden, welke zijn

omschreven in het rapport van die neuroloog van 1 mei 1995.

In zijn jurisprudentie heeft de Raad (zie onder meer de

uitspraak, gepubliceerd in RSV 1992/244) tot uitdrukking

gebracht dat in beginsel als maatman dient te worden

aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de

verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de

arbeidsongeschiktheid. Dat de inhoud en de belasting van een

functie in de loop der jaren is gewijzigd, is volgens die

jurisprudentie geen grond om een uitzondering op genoemde

hoofdregel aan te nemen. De Raad voegt daaraan toe dat de

omstandigheid dat een verzekerde na het intreden van de

arbeidsongeschiktheid is ontslagen, evenmin een grond oplevert

om een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen.

Geschiktheid voor die arbeid brengt volgens de jurisprudentie

van de Raad (vergelijk bijvoorbeeld de in het verweerschrift

in hoger beroep genoemde uitspraak van de Raad) in beginsel

mee dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dat is

anders als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en

de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met

eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of

nauwelijks voorhanden is.

In hoger beroep is aan gedaagde verzocht om een gedetailleerde

omschrijving van de werkzaamheden van appellante zoals zij die

in 1979 als secretaresse voor mr C. heeft verricht met de

daarbij behorende belastende factoren.

De arbeidsdeskundige J.M. van Kesteren heeft in zijn rapport

van 18 februari 1998 medegedeeld dat er geen gegevens meer

voorradig zijn over de functie van appellante in 1979 zodat

hij in de beschrijving ervan is uitgegaan van de huidige

functie.

De Raad stelt vast dat aldus de onderhavige schatting niet

voldoet aan de eisen die in de jurisprudentie van de Raad

daaraan worden gesteld.

Immers niet is komen vast te staan dat appellante op 1

augustus 1993 weer geschikt was voor de arbeid als

secretaresse zoals zij die voor het intreden van de

arbeidsongeschiktheid in 1979 heeft verricht. Opgemerkt zij

nog dat appellante in beroep onweersproken heeft gesteld dat

het werk voor mr C., senior-partner bij X., zeer stressvol was

en dat zij de indruk had dat secretaresses van senior-partners

beter werden betaald.

Voorts is de Raad niet gebleken dat arbeid met eenzelfde

belasting en beloning als de arbeid die appellante destijds

bij X. heeft verricht, bij andere werkgevers voorhanden was op

de datum 1 augustus 1993.

De voorbeeldfuncties van directiesecretaressen, die gedaagde

heeft overgelegd kunnen niet als zodanig dienen, nu daaruit

niet blijkt dat die arbeid wat betreft de belasting daarin

gelijk is aan de belasting die voor appellante in haar functie

bij X. gold.

Ten slotte merkt de Raad op dat hem niet is gebleken dat aan

de onderhavige schatting geschiktheid voor passende functies

(mede) ten grondslag is gelegd.

De bestreden beslissing is daarom in strijd met artikel 5 van

de AAW en artikel 18 van de WAO, zoals die destijds luidden.

Daarom kunnen de aangevallen uitspraak en de bestreden

beslissing niet in stand blijven.

Ter voorlichting van appellante merkt de Raad nog op dat dit

oordeel niet meebrengt dat appellante blijvend recht op

uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate

van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, zal kunnen doen

gelden.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het

volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van

de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de

proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende

rechtsbijstand in eerste aanleg en f 1.420,- voor verleende

rechtsbijstand in hoger beroep.

Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet

gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde

in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt

de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in

eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door

gedaagde dient te worden vergoed.

Beslist moet worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede de bestreden

beslissing;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in

eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger

beroep tot een bedrag groot f 1.420,-;

Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van

f 200,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en

mr M.M. van der Kade en mr C.J. Bax als leden, in

tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in

het openbaar op 29 september 1998.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) B.C. Rog.

LK

2309

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RSV 1999/1 PS-Updates.nl 2017-0364
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?