ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749, Centrale Raad van Beroep, 19-04-2000, 98/1676 WW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 19-04-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 98/1676 WW
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 8 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045 BWBR0005537 BWBR0008903 BWBR0011708 BWBR0013060 BWBR0013061

Samenvatting

-

Uitspraak

98/1676 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in

werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)

in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is

het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In

deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger

beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Almelo onder

dagtekening 13 januari 1998 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij

wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr D.J.H. Habers, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp

te Enschede, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 februari 2000,

waar appellant, vanwege de Raad opgeroepen om te verschijnen, zich heeft doen

vertegenwoordigen door mr H.M. Schartman, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en

waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Habers voornoemd als

zijn raadsman.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt

beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende

bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan gedaagde is ingaande 1 januari 1996 uitkering krachtens de WW toegekend.

Het recht op uitkering is in verband met arbeidsongeschiktheid en

werkhervatting enige malen onderbroken geweest en weer herleefd.

Aan de gedingstukken ontleent de Raad dat het arbeidsbureau gedaagde

telefonisch op 16 oktober 1996 heeft meegedeeld dat hij bij de firma X kon

solliciteren op een vacature als metselaar. Daarvan heeft gedaagde afgezien

omdat hij, naar zijn zeggen, in een vergevorderd stadium van onderhandeling was

met de onderneming Q over indiensttreding in Duitsland. In Duitsland kon hij

een beduidend hoger loon verwachten dan hem in Nederland zou worden aangeboden.

Appellant heeft aangenomen dat gedaagde werkloos is gebleven doordat hij door

eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen en aldus de verplichting van

artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW niet heeft

nagekomen. Bij besluit van 4 november 1996, welk besluit bij het bestreden

besluit op bezwaar van 3 februari 1997 is gehandhaafd, heeft appellant op grond

van artikel 27, tweede lid, van de WW de uitkering met ingang van 4 november

1996 blijvend geheel geweigerd, aannemende dat het recht op uitkering met

ingang van die datum geheel zou zijn geëindigd indien gedaagde de betreffende

arbeid bij de firma X zou hebben verkregen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit van 3

februari 1997 vernietigd, onder toewijzing aan gedaagde van proceskosten en

griffierecht. Het eveneens bij die uitspraak vernietigde besluit van

24 december 1996, waarbij gedaagde terzake van zijn ziekmelding per 5 november

1996 wegens het plegen van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45

van de Ziektewet ziekengeld tijdelijk en gedeeltelijk is geweigerd, is door de

intrekking van het hoger beroep terzake van dat besluit ter zitting van de Raad

niet langer in geding.

De rechtbank was van oordeel dat, nu gedaagde één van de acht door het

arbeidsbureau voor de firma X geselecteerde kandidaten was voor twee functies,

het allerminst vaststaat dat hij, zo hij wel gesolliciteerd had, daadwerkelijk

een aanstelling zou hebben gekregen waardoor aan zijn situatie van werkloosheid

een einde zou zijn gekomen. De rechtbank deelde om die reden het standpunt van

appellant niet dat gedaagde zich heeft schuldig gemaakt aan schending van

artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW.

De rechtbank overwoog voorts dat van gedaagde verlangd had kunnen worden dat

hij zich bij de firma X voor de vacature had gepresenteerd, nu hij niet wist

vanaf welke datum hij bij de firma Q zou kunnen beginnen. In die omstandigheid

had hij in ieder geval in een gesprek met X de mogelijkheid van tewerkstelling,

desnoods als overbrugging, moeten onderzoeken. Door niet te solliciteren heeft

gedaagde niet die inspanning gepleegd om passend werk te krijgen die van hem

verwacht mocht worden, zodat sprake is van schending van artikel 24, eerste

lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Schending van die verplichting

was echter niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, aldus de rechtbank.

In het aanvullend beroepschrift heeft appellant zich op het standpunt gesteld

dat gedaagde, nu het arbeidsbureau hem uit zijn bestand heeft geselecteerd op

basis van objectieve selectiecriteria, een gerede of in elk geval meer dan

hypothetische kans had om één van de twee functies bij de firma X te bemachtigen.

Voorts heeft appellant benadrukt dat, hoewel de uit de sedert 1 augustus 1996

geldende wetgeving voortvloeiende 'strafmaat' een minder genuanceerd beeld

vertoont dan de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW

beschreven verplichtingen, geen reden is het concrete gedrag van appellant

anders te kwalificeren.

Ter zitting van de Raad heeft appellant, onder verwijzing naar een tweetal

gedingstukken, nader betoogd dat het arbeidsbureau acht kandidaten verwees voor

twee vacatures als metselaar en twee vacatures als timmerman, en dat de kans te

worden aangenomen één op twee zou zijn geweest.

De Raad overweegt als volgt.

Uitgaande van de door de rechtbank en door appellant bij het aanvullend

beroepschrift weergegeven feiten, te weten dat gedaagde tezamen met zeven

andere kandidaten werd verwezen naar twee vacatures bij de firma X,

onderschrijft de Raad de opvatting van de rechtbank dat onvoldoende vaststaat

dat gedaagde werkloos is gebleven doordat hij heeft nagelaten passende arbeid

te verkrijgen. De kans dat gedaagde werk als metselaar bij de firma X zou

hebben gekregen acht de Raad weliswaar meer dan louter hypothetisch, maar voor

het aannemen van een grotere dan deze kans, waarvan de Raad bij de toepassing

van de hier in geding zijnde bepaling uitgaat, bieden de voorhanden zijnde

gegevens onvoldoende zekerheid. Daarbij merkt de Raad op dat de door appellant

genoemde gedingstukken wel enig aanknopingspunt bieden voor de juistheid van

het gestelde ter zitting omtrent het aantal vacatures, doch niettemin vragen

openlaten of de door appellant berekende aannamekans juist kan worden genoemd.

Zo ontbreekt een opgave van het aantal metselaars en timmerlieden onder de

groep verwezen kandidaten. Voorts is verder onderzoek bij de firma X achterwege

gebleven, onder meer met betrekking tot het feitelijk vervuld zijn van de vacatures.

De Raad wijst er tot slot op dat de sedert 1 augustus 1996 geldende wetgeving,

die het opleggen van een maatregel in beginsel verplicht stelt, alsook de

verstrekkende gevolgen van het opleggen van een maatregel als hier aan de orde,

te meer noopt tot een deugdelijk en zorgvuldig onderzoek ter vaststelling van

de relevante feiten en omstandigheden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de Raad dat de

aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de aan de zijde van

gedaagde in hoger beroep gevallen proceskosten, die worden begroot op f 1.420,-- wegens

rechtsbijstand, vermeerderd met f 56,-- wegens reiskosten en f 156,-- wegens

verletkosten van gedaagde, totaal derhalve f 1.632,--.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verstaat dat van appellant een recht wordt geheven van f 675,--;

Veroordeelt appellant in de aan de zijde van gedaagde gevallen kosten in hoger

beroep, begroot op f 1.632,--, in verband met het bepaalde in artikel 8:75,

tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te voldoen aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Ch. van Voorst en

mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 19 april 2000.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

JdB/0303

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RSV 2000, 123 USZ 2000/166 met annotatie van G. Boot
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?