ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750, Centrale Raad van Beroep, 05-04-2000, 97/11196 WW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-04-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 97/11196 WW
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 6 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045 BWBR0005537

Samenvatting

-

Uitspraak

97/11196 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in

werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)

in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is

het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de

Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het

bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Namens appellant heeft mr A.A.J. Kouwenhoven, werkzaam bij de Rechtskundige

Dienst FNV te Rotterdam, op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger

beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam,

onder dagtekening 6 november 1997, tussen partijen gegeven uitspraak. Bij

brief van 13 november 1998 heeft mr Kouwenhoven zich als gemachtigde van

appellant aan de behandeling van diens zaak onttrokken.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desverzocht heeft gedaagde bij

brief van 26 mei 1999, onder toezending van twee rapporten, nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 februari 2000,

waar appellant, vanwege de Raad opgeroepen, niet is verschenen en waar

gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H.B. Heij, werkzaam bij SFB

Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt

beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende

bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan appellant is ingaande 1 maart 1996 een WW-uitkering toegekend. Nadien

heeft hij laatstelijk sedert 1 juli 1996 via het uitzendbureau X werkzaamheden

als datatypist verricht bij het inlenend bedrijf Q te Y. Per 6 augustus 1996

heeft appellant bij Q ontslag genomen. Als reden daarvoor heeft hij zowel bij

Q als bij het uitzendbureau aangegeven dat hij een baan kon krijgen bij een

makelaarskantoor. Ingaande 6 augustus 1996 heeft appellant opnieuw

WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 25 oktober 1996 heeft gedaagde

appellant - onder meer - in kennis gesteld terzake van de op die datum

ingetreden werkloosheid uitkering blijvend geheel te weigeren op de grond dat

appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Daarbij stelt gedaagde zich op het

standpunt dat appellant ontslag heeft genomen zonder dat aan de voortzetting

van het dienstverband zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting

redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Verwezen is naar het

bepaalde in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef

en onder b, van de WW.

Bij het thans bestreden besluit van 4 februari 1997 heeft gedaagde appellants

bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen voormeld

besluit ongegrond verklaard, van oordeel zijnde dat gedaagde zich terecht op

het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

De Raad deelt dat oordeel van de rechtbank.

Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat de verhuizing van Q naar Z

voor hem bezwaarlijk was, dat het werk geestdodend was en dat hij oogklachten

had. Deze bezwaren heeft appellant in eerste aanleg reeds aangevoerd en zijn

naar het oordeel van de Raad op goede gronden door de rechtbank verworpen. De

Raad verwijst naar de desbetreffende overwegingen van de aangevallen

uitspraak. Voorts heeft appellant herhaald dat hij ten tijde van de

ontslagname uitzicht had op ander werk. Ook op dit punt onderschrijft de Raad

de overwegingen van de aangevallen uitspraak, die erop neerkomen dat ervan

moet worden uitgegaan dat een concreet vooruitzicht op ander werk niet

bestond. Betoogd is verder dat er bij Q voor appellant nog maar voor een week

werk zou zijn geweest en dat de rechtbank ten onrechte dat aspect buiten

beschouwing heeft gelaten. De Raad acht het echter, mede op grond van de nader

ontvangen informatie, aannemelijk dat appellant bij deze inlener in ander

passend werk nog zeker een aantal maanden had kunnen werken, indien hij was

'meeverhuisd' naar Z. Zo er sprake is geweest van een periode dat deze inlener

voor appellant geen werk zou hebben gehad, dan was deze kort, terwijl er geen

reden is te veronderstellen dat het uitzendbureau X appellant in die

tussentijd niet zou hebben bemiddeld, indien hij geen ontslag had genomen.

Naar het oordeel van de Raad kunnen de bezwaren van appellant niet als zodanig

zwaarwegend worden aangemerkt dat voortzetting van het dienstverband, desnoods

tijdelijk in afwachting van ander werk, redelijkerwijs niet van hem kon worden

gevergd. De Raad wijst er in dat verband nog op dat, voor zover de

gedingstukken vragen openlaten omtrent appellants beweegredenen, die

onbeantwoord zijn gebleven door appellants keuze om aan de oproeping van de

Raad om ter zitting te verschijnen geen gevolg te geven. Met toepassing van

artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbindt de Raad aan het

niet voldoen aan de verplichting om te verschijnen het gevolg dat wordt

beslist op basis van de voorhanden zijnde gegevens.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat gedaagde terecht heeft

aangenomen dat appellant de, in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van

de WW neergelegde, verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos

wordt, heeft overtreden. Gelet op artikel 27, eerste lid, van de WW is

gedaagde in dat geval in beginsel gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren.

Van omstandigheden die nopen tot het oordeel dat het niet nakomen van

voormelde verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten,

is de Raad niet gebleken. In dit verband wijst de Raad er nog op dat

appellant, naar uit de gedingstukken genoegzaam blijkt, ontslag nam op een

moment dat hij al wist dat de baan bij het makelaarskantoor niet doorging.

Namens appellant is tenslotte betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet is

ingegaan op het ter zitting gedane beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals

neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

Met gedaagde stelt de Raad vast dat artikel 27, eerste lid, van de WW dwingend

voorschrijft dat bij overtreding van de hier aan de orde zijnde verplichting

de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd en dat slechts indien de

overtreding de betrokkene niet in overwegende mate valt te verwijten, de

maatregel wordt gemitigeerd tot een gedeeltelijke weigering van de uitkering

in de vorm van een korting van 35% gedurende 26 weken. Uit de geschiedenis van

de totstandkoming van de wijziging van de onderhavige artikelen bij de Wet

boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stbl. 1996,

248) blijkt dat de wetgever met de keuze van de verplichte maatregel in beide

vormen heeft beoogd reeds een volledige afweging te maken met betrekking tot

de evenredigheid van die maatregel, zodat sprake is van een wettelijk

voorschrift als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb dat zich verzet

tegen toetsing door bestuur en rechter aan het evenredigheidsbeginsel als

neergelegd in het tweede lid van dat artikel, die verder gaat dan de in het

eerste lid van artikel 27 van de WW opgenomen mitigeringsmogelijkheid.

Hetgeen appellant verder nog naar voren heeft aangevoerd, heeft de Raad niet

tot een ander oordeel gebracht.

Op grond van het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor

bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig voor een

proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en

mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier,

en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2000.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW/11/4

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RSV 2000, 151 USZ 2000/134 met annotatie van E.E.V. Lenos AA20000886 met annotatie van Riphagen J. Jaap
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?