ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8869

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8869, Centrale Raad van Beroep, 04-07-2000, 98/604 AAW/WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 04-07-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 98/604 AAW/WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0008656

Samenvatting

-

Uitspraak

98/604 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet

Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk

instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de

betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv

in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In

deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur

van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 3 april 1996 heeft appellant de uitkeringen van

gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en

de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke

laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid

van 80 tot 100%, met ingang van

1 juni 1996 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar

arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25

respectievelijk 15% was.

De rechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 17 december 1997

het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit

vernietigd en bepaald dat appellant aan gedaagde het betaalde

griffierecht van f 50,- vergoedt. Naar die uitspraak wordt hierbij

verwezen.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift met bijlagen

aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op

15 februari 2000, waar voor appellant is verschenen

S.J.M. Huisman, werkzaam bij Gak Nederland B.V., terwijl voor

gedaagde is verschenen mr P.C.W.M. Meerbach, voorheen advocaat te

Utrecht, thans te Woerden.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is

gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband

waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van

het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. MOTIVERING

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het in

rubriek I omschreven besluit van 3 april 1996 in rechte stand kan

houden.

De rechtbank heeft die vraag in haar uitspraak ontkennend

beantwoord. Daartoe heeft zij het volgende overwogen, waarbij voor

"eiseres" "gedaagde" en voor "verweerder" "appellant" dient te

worden gelezen.

"Uit de gedingstukken blijkt, dat eiseres drie functies zijn

voorgehouden, waarvan de functie van telefoniste een zogenaamde

samengestelde functie betreft. Deze functie is samengesteld uit de

functie telefoniste bij een Toeristenbond met 6 voorkomende

arbeidsplaatsen en de telefoniste bij een bank met 3

arbeidsplaatsen. Als functie-eis bij de functie van telefoniste bij

een Toeristenbond is onder meer vermeld: luister- en

spreekvaardigheid in de Nederlandse en Engelse taal.

Naar de mening van verweerder wordt eiseres in staat geacht te

kunnen functioneren op een MBO- tot zelfs HBO-niveau. Daaraan en

aan de omstandigheid dat eiseres als opleiding enige jaren ULO

zonder diploma heeft, verbindt verweerder de conclusie dat eiseres

aan voormelde functie-eis voldoet.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Uit de

omstandigheid dat eiseres in staat wordt geacht op MBO- of zelfs

HBO-niveau te functioneren, volgt naar het oordeel van de rechtbank

niet logischerwijs de gevolgtrekking dat eiseres voldoende

luister- en spreekvaardigheid in de Engelse taal zal hebben, te

minder nu eiseres geen volledige middelbare opleiding in de Engelse

taal heeft genoten en er sedert de periode waarin eiseres enige

jaren onderwijs in de Engelse taal moet hebben genoten, reeds 30

jaren zijn verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is deze

functie op grond van het hiervoor overwogene niet als passend voor

eiseres aan de merken.

Daarmee resteren voor eiseres nog twee functies, hetgeen naar het

in artikel (lees: 3), lid 1 van het Schattingsbesluit neergelegde

criterium van tenminste drie functies, een onvoldoende basis vormt

om tot herziening of intrekking van de

arbeidsongeschiktheidsuitkering over te kunnen gaan.

De onderhavige schatting moet op grond van het vorenstaande als

onvoldoende zorgvuldig worden aangemerkt.

Nu het bestreden besluit deswege voor vernietiging in aanmerking

komt, zal de rechtbank de medische grondslag van het bestreden

besluit verder buiten beschouwing laten.?.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In het

aanvullend beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat:

- de rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft geschonken aan

hetgeen appellant heeft opgemerkt naar aanleiding van de aard van

de in de functie van telefoniste Toeristenbond voorkomende

werkzaamheden;

- het functieniveau, afgezet tegen de capaciteiten van gedaagde,

geen aanleiding geeft die functie niet geschikt te achten;

- de eis van luister- en spreekvaardigheid in de Engelse taal van

een zwaarte is welke overeenkomt met de voor die functie vereiste

opleidingseis, aan welke eisen gedaagde voldoet.

Gedaagde heeft deze grieven in haar verweerschrift gemotiveerd

weersproken.

De Raad stelt vast dat partijen in het bijzonder van mening

verschillen over het antwoord op de vraag of de functie van

telefoniste Toeristenbond bij de beoordeling van de mate

van arbeidsongeschiktheid van gedaagde kan worden betrokken.

De Raad overweegt het volgende.

Uit de artikelen 5, vijfde lid van de AAW en 18, vijfde lid van de

WAO volgt dat functies bij de beoordeling van de mate van

arbeidsongeschiktheid van een verzekerde kunnen worden betrokken

indien zij zowel voor de krachten als voor de bekwaamheden van die

verzekerde zijn berekend.

Blijkens de Memorie van Toelichting op de artikelen 5 van de AAW en

18 van de WAO (kamerstukken 22824, nr. 3,

pagina 23) ziet "bekwaamheden" op het moeten voldoen aan de

eisen die werkgevers stellen aan een persoon om in aanmerking te

komen voor een bepaalde arbeidsplaats. Hierbij wordt -aldus

genoemde Toelichting- in de uitvoeringspraktijk onder meer gekeken

naar eisen die worden gesteld aan opleiding en ervaring.

Appellant maakt bij de beoordeling van de mate van

arbeidsongeschiktheid van een verzekerde gebruik van het Functie

Informatie Systeem (Fis) waarin een grote verscheidenheid aan in

Nederland voorkomende functies is opgenomen. De in dit systeem

opgenomen informatie met betrekking tot die functies heeft

appellant verkregen door middel van enquêtes bij werkgevers waar de

desbetreffende functies voorkomen. Voor wat betreft de bekwaamheden

die voor een functie zijn vereist heeft appellant de eisen die de

werkgever daaraan stelt in het Fis opgenomen.

De Raad stelt voorop dat zowel de verzekerde als, in het

voorkomende geval, de toetsende instanties in beginsel van de

juistheid van de in het Fis vermelde gegevens uit moeten kunnen

gaan. Hij heeft dit al eerder overwogen in zijn uitspraak,

gepubliceerd in USZ 1998/133 ten aanzien van de belasting die de

werkzaamheden in de in het Fis opgenomen functies met zich

meebrengen, en in zijn uitspraken, gepubliceerd in USZ 1998/275 en

USZ 1998/311 ten aanzien van de aan het Fis ontleende loonwaarden.

De Raad ziet geen aanleiding niet van dit uitgangspunt uit te gaan

waar het gaat om de in het Fis neergelegde, door de werkgever voor

de toelating tot een functie met betrekking tot opleiding en

ervaring gestelde eisen.

Zulks laat onverlet dat het appellant vrij staat om voldoende

gemotiveerd en gedocumenteerd de onjuistheid van de in het FIS

vermelde gegevens aan te tonen.

De Raad stelt vast dat blijkens de Fis-gegevens in het dossier de

desbetreffende werkgever voor de functie van telefoniste

Toeristenbond als eis heeft gesteld dat de betrokkene ervaring

heeft in luister- en spreekvaardigheid in de Nederlandse en Engelse

taal.

De Raad stelt voorts vast dat appellant niet gemotiveerd én

gedocumenteerd heeft aangetoond dat die in het Fis vermelde

ervaringseis niet juist is, zodat aan die eis dient te zijn voldaan

om genoemde functie voor de bekwaamheden van gedaagde berekend te

kunnen achten.

Gesteld noch gebleken is dat gedaagde in haar arbeidsleven ervaring

heeft opgedaan in luister- en spreekvaardigheid in de Engelse taal.

De Raad is evenmin gebleken dat gedaagde buiten haar arbeidsleven

ervaring op dit gebied heeft opgedaan, anders dan in de door haar

30 jaar geleden gedurende ruim twee en een half jaar gevolgde

ULO-opleiding.

Anders dan appellant is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat

gedaagde met het Engels dat zij op de ULO heeft gevolgd, voldoet

aan de door de werkgever voor de functie van telefoniste

Toeristenbond geëiste ervaring, in het bijzonder met betrekking tot

de spreekvaardigheid van de Engelse taal. Het betoog van appellant

dat de werkzaamheden slechts bestaan uit het doorverbinden van

personen, en aan de luister- en spreekvaardigheid derhalve geen

hoge eisen worden gesteld, doet aan het vorenstaande niet af. Nog

daargelaten dat op geen enkele wijze is gebleken dat gedaagde na 30

jaar de Engelse taal nog in enige mate beheerst, volgt uit de

functie-inhoud niet per definitie dat conversatie in de Engelse

taal tot een minimumniveau beperkt kan blijven.

Dit betekent dat de functie van telefoniste Toeristenbond naar het

oordeel van de Raad niet voor de bekwaamheden van gedaagde is

berekend.

Aan dit oordeel doet niet af het betoog dat appellant blijkens een

rapport van 26 mei 1996 door de psycholoog

N.M. Lijftogt op grond van haar intelligentieniveau in staat wordt

geacht werkzaamheden op MBO- of HBO-niveau te verrichten. Hiermee

is immers slechts gegeven dat gedaagde in staat is te achten de

vereiste ervaring in de Engelse taal te verkrijgen en niet dat zij

die reeds heeft.

Evenmin doet aan het oordeel van de Raad af het ter zitting naar

voren gebrachte argument dat als opleidingseis bij de functie van

telefoniste Toeristenbond slechts is gesteld "mavo-niveau" en niet

dat vaardigheid in de Engelse taal is vereist. De vraag of een

verzekerde aan een in het Fis vermelde opleidingseis voldoet dient

naar het oordeel van de Raad te worden onderscheiden van de vraag

of die verzekerde aan de blijkens het Fis door de werkgever

gestelde ervaringseisen voldoet.

Uit het vorenstaande volgt dat twee functies als grondslag voor de

schatting resteren. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel

dat dit in het licht van artikel 3, eerste lid van het

Schattingsbesluit, dat verlangt dat de voor het bepalen van de

resterende verdiencapaciteit in aanmerking te nemen arbeid dient te

worden omschreven in de vorm van drie verschillende in Nederland

uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen kan worden

verworven en dat die functies tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen

vertegenwoordigen, te weinig is, zodat het bestreden besluit op

deze grond voor vernietiging in aanmerking komt.

Met de vernietiging van het bestreden besluit is gegeven dat

gedaagde op 1 juni 1996 onveranderd aanspraak heeft op uitkeringen

krachtens de AAW en de WAO, berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Om deze reden komt de Raad,

evenals de rechtbank, aan een beoordeling van het medische aspect

van de onderhavige beoordeling niet meer toe.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt

en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking

komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de

Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de

proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden

begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22,

derde lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van

appellant een recht van f 675,- dient te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger

beroep tot een bedrag groot f 1.420,-;

Verstaat dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en

mr M.M. van der Kade en mr J.Th. Wolleswinkel als leden, in

tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2000.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) P.W.A. van Geloven.

IS

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RSV 2000/183 USZ 2000/209 met annotatie van Redactie
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?