ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8876

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8876, Centrale Raad van Beroep, 19-04-2000, 96/5846 WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 19-04-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 96/5846 WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002524 BWBR0005537 BWBR0006072 BWBR0013060 BWBR0013061

Samenvatting

-

Uitspraak

96/5846 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in

werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)

in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is

het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie

en de Electrotechnische Industrie. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens

verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 13 december 1994 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd

berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van

2 februari 1995 ingetrokken.

De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft bij uitspraak van 30 mei 1996 het

tegen dat besluit gerichte beroep ongegrond verklaard.

Appellant is bij gemachtigde, mr R. van Asperen, advocaat te Groningen, van die

uitspraak in hoger beroep gekomen. De gronden van het hoger beroep zijn in een

aanvullend beroepschrift d.d. 9 augustus 1996 uiteengezet.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Bij brief van 2 december 1996 is namens appellant een rapport d.d. 18 oktober

1996 van de registerarbeidsdeskundige J.M.R. Versteeg in het geding gebracht,

waarop gedaagde op 10 januari 1997 heeft gereageerd door het inzenden van een

commentaar d.d. 9 januari 1997, met bijlagen, van zijn arbeidsdeskundige J.A. Dinkla.

Bij brief van 28 juli 1998 heeft mr J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, zich

als opvolgend gemachtigde gesteld en is een vraag van de Raad beantwoord.

Bij brieven van 2 en 25 september 1998, met bijlagen, heeft gedaagde vragen van

de Raad beantwoord.

Op verzoek van de Raad heeft de psychiater prof. dr T.I. Oei van verslag en

advies gediend. Deze deskundige heeft op 8 februari 1999 zijn rapport ingezonden.

Bij brief van 5 maart 1999 heeft gedaagde een commentaar d.d. 3 maart 1999 van

zijn bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen op dit rapport in het geding

gebracht, waarop de deskundige prof. dr T.I. Oei - desgevraagd - in een brief,

ingekomen bij de Raad op 6 juli 1999 heeft gereageerd.

Bij per telefax verzonden brief van 27 januari 2000 heeft appellant de Raad

verzocht gedaagde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding bestaande uit

de wettelijke rente over de na te betalen bruto-uitkering.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op

28 januari 2000, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden die de

rechtbank blijkens rubriek 2, onder a, van de aangevallen uitspraak als vaststaande

heeft aangenomen en waarvan de juistheid niet door partijen is bestreden.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de aan appellant krachtens de WAO

toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid

van 15 tot 25%, met ingang van 2 februari 1995 ingetrokken.

Dat besluit berust op gedaagdes standpunt dat appellant op 2 februari 1995, de

in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van

arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor

werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van hem door een, gedaagde

adviserende, arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de aan

de mediane loonwaarde van die functies ontleende resterende verdiencapaciteit

met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in

een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

Blijkens de zogenoemde arbeidsmogelijkhedenlijst zijn uit het functie-informatiesysteem de

functies haringinlegger, worststopper, steksteker, leverplukker, samensteller hang- en

sluitwerk, inpakker en machinebediende geselecteerd. De voor appellant geldende resterende

verdiencapciteit is door de arbeidsdeskundige afgeleid uit de functie van steksteker.

Appellant heeft primair bezwaren van medische aard tegen het bestreden besluit.

Naar zijn oordeel heeft gedaagde de bij hem bestaande beperkingen voor het

verrichten van arbeid onderschat. Ter onderbouwing van appellants bezwaren tegen

het bestreden besluit heeft hij verwezen naar het deskundigenrapport d.d. 20

september 1994 dat in het kader van een eerdere, tussen partijen bij de

rechtbank onder nr. 93/676 AAW aanhangige, procedure op verzoek van de rechtbank

over appellant is opgemaakt en dat betrekking had op de mate van appellants

arbeidsongeschiktheid op 5 juni 1993. Uit dit rapport blijkt dat de betreffende

deskundige appellant met betrekking tot de arbeidsduur beperkt belastbaar acht.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, alle gegevens van medische

aard, waaronder het eerder aangeduide deskundigenrapport van 20 september 1994,

overziende, overwogen dat de gedaagde adviserende verzekeringsarts zwaarwegende

betekenis heeft kunnen toekennen aan het gegeven dat appellant sinds november

1993 werk in WSW-verband heeft kunnen verrichten en dat vrijwel zonder uitval

heeft kunnen volhouden. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat er geen

goede redenen zijn of zodanige argumenten zijn aangevoerd om aan te nemen dat

appellant de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen

verrichten per 2 februari 1995.

In hoger beroep heeft gedaagde de functie van steksteker laten vervallen omdat

in deze functie appellants belastbaarheid met betrekking tot het aspect zitten

wordt overschreden. Voorts in aanmerking genomen dat in het geval van appellant

de zogenoemde maandloonvergelijking dient te worden toegepast en dient volgens

gedaagde de resterende verdiencapaciteit te worden afgeleid uit de functie van

worststopper, maar dit heeft geen gevolgen voor de klasse waarin appellants

arbeidsongeschiktheid blijkens het bestreden besluit is ingedeeld.

Naar aanleiding van hetgeen partijen omtrent het medische aspect van de

onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling hebben aangevoerd heeft de Raad de

deskundige prof. dr T.I. Oei verzocht van verslag en advies te dienen. Deze

deskundige stelt in zijn rapport van 8 februari 1999 vast dat ten aanzien van

appellant op de datum hier in geding, 2 februari 1995, sprake is van

verschijnselen van een complexe posttraumatische stressstoornis, chronisch

depressief toestandsbeeld, somatisatiestoornis, ernstige

persoonlijkheidsproblematiek, bewustzijnsproblemen, psychische

oriëntatieproblemen, bij een matig tot zwak begaafde man van Turkse afkomst met

problemen in de thuissituatie. Deze deskundige kon zich vanuit

medisch-psychiatrische optiek niet verenigen met de door de gedaagde adviserende

verzekeringsgeneeskundige vastgestelde beperkingen en de ten aanzien van

appellant opgestelde zogeheten verwoording belastbaarheid belanghebbende d.d. 14

november 1994. De deskundige acht in feite appellant slechts geschikt voor de

werkzaamheden die appellant thans verricht in het kader van zijn

WSW-dienstverband: schoffelen en planten snoeien. Daarbij neemt de deskundige

aan dat appellant deze activiteiten ontplooit op een lager niveau van inspanning

en intensiteit dan gewoonlijk wordt verwacht in het kader van loonvormende arbeid.

Voorts heeft deze deskundige vanuit medisch-psychiatrisch oogpunt bezwaren tegen

de functies worststopper, leverplukker, samensteller, inpakker en machinebediende.

Appellant heeft een commentaar d.d. 3 maart 1999 van zijn verzekeringsarts

bezwaar en beroep A. van Bruggen op het rapport van de deskundige overgelegd.

Deze arts levert kritiek op dat rapport, onder meer door diens bevindingen ten

aanzien van de gezondheidstoestand van appellant te vergelijken met hetgeen

daaromtrent is vermeld in het eerder genoemde deskundigenrapport d.d. 20 september 1994.

Desgevraagd heeft de deskundige prof. dr T.I. Oei de Raad medegedeeld dat het commentaar

d.d. 3 maart 1999 van de genoemde verzekeringsarts bezwaar en beroep hem geen aanleiding

heeft gegeven de conclusie in zijn rapport d.d. 8 februari 1999 te wijzigen.

De Raad overweegt het volgende.

Wat betreft het tussen partijen in geschil zijnde medische aspect van de

onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling kent de Raad doorslaggevende

betekenis toe aan het op zijn verzoek door de deskundige prof. dr T.I. Oei op 8

februari 1999 omtrent appellant uitgebrachte rapport. De Raad heeft daarbij in

aanmerking genomen dat deze onafhankelijke deskundige zijn oordeel baseert op

eigen onderzoek van appellant, op de in het dossier aanwezige op appellant

betrekking hebbende stukken, waaronder het meermalen genoemde deskundigenrapport

d.d. 20 september 1994, alsmede op de door de deskundige prof. dr T.I. Oei

verkregen informatie van de behandelende sector. Dat oordeel is voorts zowel met

betrekking tot de verwoording belastbaarheid als tot de geselecteerde functies

naar behoren gemotiveerd.

Getuige het overleggen door gedaagde van het commentaar d.d. 3 maart 1999 van

zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep A. van Bruggen wenst gedaagde kennelijk

de conclusie van de door de Raad ingeschakelde deskundige te bestrijden. De Raad

heeft evenwel, alle gedingstukken van medische aard overziende, in dat

commentaar onvoldoende reden gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de

bevindingen en de conclusie van de deskundige prof. dr T.I. Oei.

Het voorgaande betekent dat er van de geselecteerde functies slecht één resteert

hetgeen, gelet op de artikelen 2 en 3 van het Schattingsbesluit, te weinig is om

de onderhavige schatting te dragen. Het bestreden besluit komt deswege voor

vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep van

appellant tegen dat besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

Bij brief van 27 januari 2000 heeft appellant nog een stuk ingezonden. Daarin

verzoekt appellant de Raad gedaagde te veroordelen tot betaling van

schadevergoeding bestaande uit de wettelijke rente. De Raad stelt vast dat deze

brief bij hem is binnengekomen met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste

lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van 10 dagen,

binnen welke termijn partijen voor de zitting stukken kunnen indienen. Mede in

aanmerking genomen dat partijen niet ter zitting van de Raad zijn verschenen en

dat gedaagde zich niet heeft uitgelaten omtrent appellants hier aan de orde

zijnde verzoek, zal de Raad het stuk waarin dat verzoek is vervat buiten

beschouwing laten. Dit laat overigens onverlet dat appellant zich met een

verzoek om vergoeding van wettelijke rente rechtstreeks tot gedaagde kan wenden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te

veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze

kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in eerste

aanleg en op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voorts

komen de kosten van de door appellant ingeschakelde deskundige, de

registerarbeidsdeskundige J.M.R. Versteeg, ad f 257,03, voor vergoeding in aanmerking.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen

24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het

door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht

door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 13 december 1994 alsnog gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 december 1994;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f

1.420,- in eerste aanleg en een bedrag groot f 1.677,03 in hoger beroep.

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 200,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek

en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr B. Fijnheer als

griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2000.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) B. Fijnheer.

AB

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JB 2000/188
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?