ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8931

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8931, Centrale Raad van Beroep, 16-08-2000, 97/7917 AAW/WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 16-08-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 97/7917 AAW/WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij een mogelijke strijd met de redelijke termijn van art 6 EVRM moet het gaan om de termijn van de gerechtelijke procedure. Onder omstandigheden kan het optreden van het bestuursorgaan (ten dele) bij die termijn worden betrokken.

Uitspraak

97/7917 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet

Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk

instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de

betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv

in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In

deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van

deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 4 augustus 1995 heeft gedaagde geweigerd aan

appellant uitkeringen ingevolge de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder

overweging dat hij na afloop van de wachttijd op 5 april 1990

minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

De rechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 17 juli 1997 het

beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak

wordt hierbij verwezen.

Namens appellant is mr P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, op bij

aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in

hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellants gemachtigde heeft nadere stukken ingezonden.

Gedaagde heeft vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 juli 2000,

waar voor appellant is verschenen mr De Bruin, voornoemd, terwijl

voor gedaagde is verschenen mr P.C.M. Huijzer, werkzaam bij Gak

Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Appellant was sedert 7 maart 1989 werkzaam als schoonmaker. Op 4

april 1989 heeft hij zich ziek gemeld. Gedaagde heeft appellant

vervolgens tot november 1989 ziekengeld ingevolge de Ziektewet

betaald. In 1993 is het ziekengeld over de resterende termijn van

de maximale aanspraak betaald.

Enkele maanden na zijn ziekmelding is appellant naar Marokko

vertrokken. Hij verbleef daar tot eind 1992 of begin 1993 (begin

januari 1993 bezocht hij gedaagdes kantoor). In 1993 is appellant

weer naar Marokko vertrokken, waarna hij in mei 1994 in Nederland

terugkeerde.

Op 19 juli 1994 werd appellant onderzocht door de

verzekeringsgeneeskundige J. van Oort. Op diens verzoek brachten de

chirurg H. de Ruiter, de psychiater A. Korzec en de internist dr

H.J. Voerman rapport uit omtrent appellants gezondheidstoestand.

Voorts ontving genoemde verzekeringsgeneeskundige inlichtingen van

appellants huisarts G.C. Horn.

Op 29 maart 1995 rapporteerde de verzekeringsgeneeskundige Van Oort

opnieuw. Naar aanleiding van de door hem omtrent appellants

gezondheidstoestand verkregen gegevens alsmede op basis van zijn

eigen onderzoek stelde deze verzekeringsgeneeskundige voor

appellant een belastbaarheidspatroon vast.

Vervolgens werd op 28 juni 1995 rapport uitgebracht door de

arbeidsdeskundige J.H.F. Kitzen. Deze selecteerde een

aantal functies voor appellant. Vergelijking van de mediane

loonwaarde van die functies met het voor appellant geldende

maatmaninkomen, door de arbeidsdeskundige Kitzen gesteld op

diezelfde mediane loonwaarde, leidde hem tot de conclusie dat bij

appellant op de in geding zijnde datum, 5 april 1990, geen sprake

was van een verlies aan verdiencapaciteit.

Op grond daarvan heeft gedaagde het in rubriek I omschreven

bestreden besluit van 4 augustus 1995 genomen. In geding is de

vraag of dit besluit in rechte stand kan houden. De Raad overweegt

daaromtrent het volgende.

Appellants gemachtigde heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming

van het bestreden besluit niet een redelijke termijn als bedoeld in

artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en

de fundamentele vrijheden (EVRM) in acht is genomen.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak,

gepubliceerd in AB 99/131, RSV 99/93 en RAwb 99/94, moet het bij

artikel 6 EVRM gaan om de termijn van de gerechtelijke procedure.

Weliswaar kan het optreden van het bestuursorgaan onder

omstandigheden bij die termijn (ten dele) worden betrokken, maar

dan dient voor het aanvangen van een termijn in de zin van artikel

6 EVRM toch ten minste een standpunt van het bestuursorgaan voor

handen te zijn dat de betrokkene aanleiding kan geven een geschil

(in casu een burgerlijk recht betreffende) op te werpen. In casu

was zulks gedurende de termijn welke appellants gemachtigde in

aanmerking genomen wenst te zien, lopende van het eerste

verzekeringsgeneeskundige rapport in 1991 tot de datum van het

bestreden besluit 4 augustus 1995, niet het geval, althans niet tot

de datum van de aan het bestreden besluit voorafgegane aanzegging

van 24 juli 1995.

Dit neemt niet weg dat een vertraging in de afgifte van een besluit

als het onderhavige onrechtmatigheid in bestuursrechtelijke zin kan

meebrengen, in welk verband appellants gemachtigde met name heeft

gewezen op de bewijsproblemen ten aanzien van zijn ziekte in welke

problemen appellant als gevolg van de opgetreden vertraging is

komen te verkeren.

Dit laatste in aanmerking nemend, overweegt de Raad het volgende

met betrekking tot het bestreden besluit.

In het tweede lid van de artikelen 24 van de AAW en 34 van de WAO,

zoals deze op de in geding zijnde datum luidden, vindt ambtshalve

toekenning van uitkeringen ingevolge deze wetten plaats indien de

betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de

Ziektewet voor uitkering in aanmerking komt. Op gedaagde rustte

derhalve de verplichting ambtshalve te bezien of appellant na

afloop van zijn wachttijd op 5 april 1990 aanspraak had op

uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.

Naar het oordeel van de Raad heeft het onderzoek naar appellants

aanspraken niet met de vereiste zorgvuldigheid plaatsgevonden.

De Raad merkt in de eerste plaats op dat geruime tijd sprake is

geweest van een persoonsverwisseling doordat in gedaagdes

administratie sprake was van twee personen met dezelfde naam.

Voorts is bij herhaling op stukken, onder andere op adviesaanvragen

aan de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) een onjuiste

geboortedatum vermeld en zijn aan die instelling inlichtingen

omtrent appellants gezondheidstoestand gevraagd terwijl het

ziektewetjaar reeds lang was verstreken, zodat de CNSS geen

controletaken meer verrichtte. Deze laatste omstandigheden kunnen

er zeer wel debet aan zijn geweest dat van de zijde van de CNSS

ondanks herhaalde verzoeken niets werd vernomen.

De Raad wijst er voorts op dat langdurig onderzoek is

verricht naar de verblijfplaats van appellant terwijl gedaagde in

elk geval sedert januari 1992 over appellants adres in Marokko en

in elk geval sedert december 1992 over het adres van appellants

broer in Nederland beschikte.

Uit de gedingstukken kan de Raad voorts niet afleiden dat aan

appellant op enig moment kenbaar is gemaakt dat hij zich in

Nederland diende te vervoegen opdat een beoordeling van zijn

aanspraken ingevolge de AAW en de WAO kon plaatsvinden. Wel is aan

appellant verzocht te bevorderen dat onderzoek door de CNSS plaats

zou vinden. Die instelling heeft appellant evenwel vervolgens laten

weten daartoe niet over te gaan omdat het ziektewetjaar was

verstreken.

De Raad weegt verder mee dat het dossier verre van compleet is. Zo

ontbreekt de door de verzekeringsgeneeskundige Van Oort in zijn

rapport van 19 januari 1991 genoemde informatie van de arts Rachid

Lahari en ontbreken gegevens omtrent de ziektewetperiode.

De Raad neemt ook nog in aanmerking dat, toen in 1994 het onderzoek

naar appellants aanspraken is gestart, waarbij expertises werden

gevraagd aan de bovengenoemde artsen, dat onderzoek zich met name

heeft gericht op appellants gezondheidstoestand bij de aanvang van

zijn werkzaamheden in maart 1989. Met name in de verzoeken om

expertise aan meergenoemde artsen is niet gevraagd naar appellants

toestand op de hier van belang zijnde datum 5 april 1990, over

welke datum deze artsen zich ook niet hebben uitgesproken.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het

bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet

bestuursrecht geen stand kan houden. Dit besluit dient te worden

vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit

in stand is gelaten.

Gedaagde zal ten aanzien van appellants aanspraken

ingevolge de AAW en de WAO een nieuw besluit moeten nemen. De Raad

wijst erop dat gedaagde daarbij in aanmerking zal moeten nemen dat

appellant door het lange tijdsverloop, welk verloop -zoals uit het

hierboven overwogene blijkt- zeker niet aan appellant is te wijten,

in een slechte bewijspositie is komen te verkeren, zodat er

aanleiding is eventuele twijfel in zijn voordeel uit te leggen.

De Raad tekent daarbij aan dat er naar zijn oordeel reeds nu

vraagtekens zijn te plaatsen bij de vaststelling van de

verzekeringsgeneeskundige Van Oort dat appellant in psychisch

opzicht niet beperkt is. Die verzekeringsgeneeskundige is daarbij

uitgegaan van de expertise van de psychiater Korzec. Deze stelde

bij zijn onderzoek weinig ernstige psychopathologie vast. Met

betrekking tot appellants toestand in het verleden merkt hij op dat

in 1989 mogelijkerwijs sprake was van een angststoornis of een

aanpassingstoornis met angst en dat het beloop na 1989 onduidelijk

is. Uit een door appellants gemachtigde overgelegde verklaring van

de neuropsychiater Ben Tahar Fouzia van 15 januari 1990 blijkt

echter dat appellant op dat moment leed aan een ernstig

anxiodepressief syndroom.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de

Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de

proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze

kosten worden begroot op ? 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in

eerste aanleg en ? 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger

beroep.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in

de artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad

ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als

in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden

vergoed.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en

vernietigt dat besluit;

Verstaat dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming

van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste

aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een

bedrag groot f 1.420,-;

Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 210,-

vergoedt.

Aldus gegeven door mr W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr

M.M. van der Kade en mr T. Hoogenboom als leden, in

tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2000.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RSV 2000, 231 JB 2000/309 met annotatie van prof. mr. A.W. Heringa USZ 2000/273 met annotatie van Redactie
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?