ECLI:NL:CRVB:2002:AF3096

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3096, Centrale Raad van Beroep, 25-10-2002, 00/3115 WUBO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 25-10-2002
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 00/3115 WUBO
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003664 BWBR0005537 BWBR0008656

Samenvatting

-

Uitspraak

00/3115 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 22 mei 2000, kenmerk JZ/X/2000/151, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met dit besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien hebben partijen nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 september 2002. Aldaar is eiser in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In april 1997 heeft eiser, geboren in 1944, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van een periodieke uitkering.

Bij besluit van 25 maart 1998 heeft verweerster eiser op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer en hem als zodanig de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend. De gevraagde periodieke uitkering heeft verweerster bij dit besluit geweigerd op de grond dat eiser nimmer zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf heeft moeten beëindigen in verband met zijn oorlogsinvaliditeit. Dit standpunt had verweerster ontleend aan een advies van haar geneeskundig adviseur, de arts G.J. Laatsch, in welk advies op basis van eigen onderzoek en uit de behandelende sector verkregen informatie is geconcludeerd dat op dat moment (nog) geen sprake is van blijvende arbeidsongeschiktheid.

Het tegen genoemd besluit door eiser gemaakt bezwaar is bij besluit van 29 oktober 1998 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar.

In april 1999 heeft eiser zich tot verweerster gewend met een hernieuwde aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering.

Na aanvankelijke afwijzing daarvan heeft verweerster bij het nu bestreden besluit overeenkomstig nader medisch advies aanvaard dat eiser sedert 1998 blijvend arbeidsongeschikt was en hem ingaande 1 april 1999 een periodieke uitkering toegekend. De grondslag voor de berekening van die uitkering is, aan de hand van het inkomen dat eiser ten tijde van de aanvraag zou hebben genoten uit het door hem laatstelijk als zelfstandige uitgeoefende installatiebedrijf, vastgesteld op het ingevolge de Wet geldende minimumbedrag van f 3.256,--; verweerster is daarbij uitgegaan van de inkomens-gegevens uit de laatste drie tot vijf jaar voorafgaande aan de blijvende arbeidsongeschiktheid.

In beroep tegen dit besluit heeft eiser in de eerste plaats aangevoerd dat de ingangsdatum van de periodieke uitkering ten onrechte niet is bepaald naar de datum van zijn eerdere aanvraag. Naar eisers mening is nu gebleken dat hij reeds op dat tijdstip blijvend arbeidsongeschikt was.

Verder heeft eiser aangevoerd dat hij in wezen zelfs al ruim vóór 1 april 1997 vanwege zijn psychische klachten niet meer in staat was om zijn bedrijf naar behoren te voeren, zodat de bedrijfsgegevens over de laatste drie tot vijf jaar voorafgaande aan 1998 geen juist beeld geven van het voor toepassing van de Wet in aanmerking te nemen inkomensverlies en de grondslag van zijn periodieke uitkering op een te laag bedrag is vastgesteld.

Ter onderbouwing van een en ander heeft eiser onder meer gewezen op het besluit van het (toenmalige) GAK van 6 december 2000 tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ingaande 31 maart 1998 naar een arbeidsongeschiktheid van 80 -100%, en op een rapport van 22 november 2001 betreffende door hem nader ingewonnen psychiatrische expertise.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Ten aanzien van de ingangsdatum van de periodieke uitkering

De Raad stelt vast dat het bovengenoemde besluit van verweerster van 25 maart 1998 - in aanmerking genomen dat het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en terzake geen verdere rechtsmiddelen zijn aangewend - tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

Dit betekent dat verweerster bij de beslissing op de door eiser in 1999 ingediende hernieuwde aanvraag ten aanzien van de vaststelling van de ingangsdatum diende uit te gaan - zoals ook is geschied - van het in artikel 40, eerste lid, van de Wet vervatte voorschrift, voorzover hier van belang inhoudende dat de periodieke uitkering ingaat op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend.

Weliswaar is verweerster ingevolge het tweede lid van genoemd artikel bevoegd om ten voordele van de betrokkene van het bepaalde in het eerste lid af te wijken, maar in een geval als het onderhavige kan voor toepassing van dit artikellid in beginsel geen grondslag bestaan. Naar 's Raads oordeel zou dit slechts anders kunnen zijn indien uit bij de behandeling van de hernieuwde aanvraag naar voren komende gegevens onmiddellijk en zonneklaar blijkt dat het eerdere besluit onjuist is geweest en verweerster van die onjuistheid een verwijt valt te maken.

De Raad kan dan ook eisers grief op dit punt niet onderschrijven.

Ten aanzien van de grondslag van de periodieke uitkering

Ook hier geldt dat verweerster bij de beoordeling van de hernieuwde aanvraag van april 1999 ervan kon en mocht uitgaan dat in de periode voorafgaande aan de datum van het eerdere, rechtens onaantastbaar geworden besluit van 25 maart 1998 (nog) geen sprake was van blijvende arbeidsongeschiktheid in de zin als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder a, van de Wet.

De in het kader van de beoordeling van eisers hernieuwde aanvraag van april 1999 aan verweerster ter beschikking gekomen gegevens geven voorts aan dat eisers situatie in 1998 zeer is verslechterd.

Hiervan uitgaande kan de Raad het in het nu bestreden besluit vervatte standpunt van verweerster dat blijvende arbeidsongeschiktheid eerst in 1998 is opgetreden, niet aantasten. Dit betekent dat ook geen aanleiding bestaat om de door verweerster vastgestelde grondslag - waarbij, als te doen gebruikelijk en door de Raad eerder aanvaard, bij arbeid in bedrijf rekening is gehouden met de bedrijfsresultaten gedurende de laatste drie dan wel vijf jaar - onjuist te oordelen.

De Raad merkt hierbij nog het volgende op.

Partijen hebben aan de Raad nadere stukken - waaronder het voormelde besluit van het GAK van 6 december 2001 en het voormelde expertiserapport van 22 november 2001 - toegezonden welke betrekking hebben op een door eiser in oktober 2001 bij verweerster ingediend verzoek om herziening van het eerder genomen besluit van 25 maart 1998. Die stukken vallen evenwel buiten het bestek van het thans aanhangige geding, zodat de Raad die stukken thans niet in de beoordeling kan betrekken. Het ligt vooreerst op de weg van verweerster om op dit verzoek een besluit te nemen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. de Gooijer.

HD

17.10

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.G. Kasdorp als
  • mr. C.G. Kasdorp als voorzitter
  • mr. G.L.M.J. Stevens
  • mr. G.J.H. Doornewaard als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?