00/3216 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 22 juni 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 december 1998 waarbij de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 februari 1999 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 1 mei 2000 het beroep van appellant tegen het besluit van 22 juni 1999 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 21 augustus 2000 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 14 november 2000, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 maart 2002, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als bouwkundig projectvoorbereider/ inkoper toen hij zich op 22 oktober 1992 ziek meldde wegens psychische klachten. In verband hiermede zijn hem met ingang van 21 oktober 1993 uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een aantal (tussentijdse) indelingen in lagere arbeidsongeschiktheidsklassen, zijn deze uitkeringen ingaande 12 januari 1997 wederom vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Op 28 augustus 1998 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts R. Leboux die, na ook met de huisarts van appellant te hebben overlegd, in zijn rapport van die datum appellant geschikt heeft geacht voor niet-stresserende werkzaamheden.
De arbeidsdeskundige N.G.M. Graven heeft vervolgens een aantal functies voor appellant geselecteerd die langs de weg van een theoretische schatting tot de conclusie leidden dat appellant als 53,8% arbeidsongeschikt was te beschouwen.
Op grond hiervan heeft gedaagde zijn bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 31 december 1998 genomen waarbij appellants uitkering krachtens de WAO per 11 februari 1999 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft zich gesteld achter de door de verzekeringsarts ten aanzien van appellant vastgestelde beperkingen.
De rechtbank was van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische onderzoeken op een voldoende zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden en dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om de vanwege gedaagde voor appellant bepaalde medische beperkingen op de datum in geding onderschat te achten. Voorts kon de rechtbank instemmen met het standpunt van gedaagde dat de door de arbeidsdeskundige voor appellant geselecteerde functies door hem konden worden vervuld.
Appellant heeft in hoger beroep gepersisteerd bij het gestelde in zijn bij de rechtbank ingediende beroepschrift en in aanvulling daarop onder verwijzing naar het grondwettelijke recht van vrijheid van arbeidskeuze gesteld dat hem door gedaagde ten onrechte de mogelijkheid wordt onthouden om terug te keren naar zijn oude functie in aangepaste vorm.
Dienaangaande overweegt de Raad dat geenszins valt in te zien dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het in het derde lid van artikel 19 van de Grondwet neergelegde recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid. Daargelaten dat dit recht bestaat behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld, kan immers niet worden staande gehouden dat het bestreden besluit eraan in de weg staat dat appellant zijn eerdere werkzaamheden in al dan niet aangepaste vorm hervat. De Raad voegt hieraan nog toe dat, zoals hij in zijn uitspraak van 7 maart 2000, gepubliceerd in USZ 2000, nr. 117, heeft overwogen, de WAO en het daarop gebaseerde Schattingsbesluit geen ruimte geven voor de opvatting dat met de schatting kan worden gewacht totdat onderzoek naar reïntegratie bij de werkgever heeft plaatsgevonden.
Nu voorts geen aanleiding bestaat te oordelen dat de rechtbank de door appellant aangevoerde gronden ten onrechte heeft verworpen, kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2002.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.