ECLI:NL:CRVB:2003:AN9708

ECLI:NL:CRVB:2003:AN9708, Centrale Raad van Beroep, 21-11-2003, 01/3411 WAO en 01/3412 WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 21-11-2003
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 01/3411 WAO en 01/3412 WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002524

Samenvatting

Verdiscontering werkgeversaandeel pensioen- en vutpremie in maatmaninkomen.

Uitspraak

01/3411 WAO en 01/3412 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 maart 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 mei 1998 waarbij gedaagde aan appellant per 20 mei 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 - 45%.

Bij besluit van 25 augustus 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 september 1999 waarbij gedaagde de WAO-uitkering van appellant per 3 november 1999 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 - 35%.

Bij uitspraak van 17 mei 2001 heeft de rechtbank Utrecht de beroepen van appellant tegen de besluiten van 17 maart 1999 en 25 augustus 2000 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 7 september 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 16 oktober 2001, ingediend.

Bij brief van 1 mei 2003 heeft gedaagde - desgevraagd - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 april 2003, kenmerk 00/5425 WAO (in een geding tussen een ander dan appellant en gedaagde), en de bijgevoegde rapportage van de bezwaar-arbeidsdeskundige van 13 maart 2003, een inhoudelijke reactie gegeven op een door appellant in diens aanvullend beroepschrift ingenomen standpunt.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 september 3002. Voor appellant is verschenen mr. J. Bosua, advocaat te Rotterdam. Gedaagde is - met bericht vooraf - niet verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant is op 21 mei 1997 met schouderklachten uitgevallen voor zijn voltijdse werk als voorman-schoonmaker en heeft later ook melding gemaakt van rugklachten.

De verzekeringsarts heeft appellant op 24 februari 1998 onderzocht en de bij appellant geconstateerde beperkingen vastgelegd in een belastbaarheidspatroon dat door hem op 27 maart 1998, na kennisneming van de bij de orthopedisch chirurg die appellant in 1997 heeft behandeld opgevraagde gegevens, ongewijzigd is gehandhaafd.

In hoger beroep heeft appellant - evenals in beroep bij de rechtbank - zich op het standpunt gesteld dat hij meer is beperkt dan in het belastbaarheidspatroon is aangegeven. Evenmin als in beroep heeft appellant dit standpunt met enig medisch gegeven doen onderbouwen. Aangezien de gedingstukken de Raad geen aanleiding geven de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en later de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden, faalt deze grief.

Vervolgens is nog uitsluitend aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft geweigerd het werkgeversaandeel in de pensioen- en vutpremie in het maatmanloon te verdisconteren.

Die vraag is door de rechtbank bevestigend beantwoord onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Raad en onder overweging voorts dat gedaagde in overeen-stemming met die jurisprudentie heeft gehandeld alsook dat het namens appellant ingenomen standpunt dat andere uitvoeringsinstellingen anders handelen is onderbouwd noch op andere wijze aannemelijk is gemaakt.

De Raad stelt vast dat partijen het er met elkaar over eens zijn dat bij een ontkennend antwoord op de evenomschreven vraag, per 20 mei 1998 respectievelijk 3 november 1999 indeling van appellant in de naasthogere arbeidsongeschiktheidsklasse had moeten volgen. Dat betekent dat aan appellant een rechtens te beschermen belang bij een uitspraak op de beide beroepen niet kan worden ontzegd.

Dezelfde vraag is aan de orde geweest in een eerder bij de Raad aanhangig gemaakt geding waarin de Raad zijn hiervoor vermelde, aan beide partijen in de thans aanhangige gedingen bekende en voorts ook op Rechtspraak.nl (LJN: AF7653) bekend gemaakte, uitspraak heeft gedaan.

In die uitspraak heeft de Raad voorop gesteld dat zijn jurisprudentie inhoudt dat het werkgeversaandeel in de pensioen- en vutpremie (alleen dan) dient te worden verdisconteerd in het maatmaninkomen, indien de werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk is. Daaraan heeft de Raad toegevoegd dat is gesteld noch gebleken dat zulks het geval is en dat dat in beginsel betekent dat gedaagde het maatmaninkomen (in dat andere geval) terecht heeft vastgesteld op het bedrag dat leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 64,4%.

Vervolgens heeft de Raad in die uitspraak het desgevraagd door gedaagde verstrekte overzicht van de uitvoeringspraktijk van de onderscheiden uitvoeringsinstellingen vanaf 1 maart 1997 (de datum per welke de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking is getreden en ingevolge de wet tot invoering daarvan het Lisv in de plaats van de onderscheiden bedrijfsverenigingen is getreden) alsook de fluctuaties sedertdien opgenomen en overwogen onvoldoende grond aanwezig te achten om de appellant te volgen in diens zienswijze dat de besluitvorming van gedaagde te dezen zo willekeurig is dat deze zich niet verdraagt met het tweede lid van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft de Raad laten wegen dat niet is gebleken dat de SFB Uitvoeringsorganisatie N.V., die in dat geval namens gedaagde heeft besloten, in andere gevallen waar het gaat om het werkgeversaandeel in de pensioen- en vutpremie in relatie met het maatmaninkomen anders heeft gehandeld dan in dit (toen aanhangige) geval. Rond de datum in geding (in dat andere geval 1 september 1998, in de thans aanhangige gevallen 20 mei 1998 respectievelijk 3 november 1999) heeft kennelijk slechts één uitvoeringsinstelling - in geval van een herbeoordeling - Uszo bedoeld werkgevers-aandeel stelselmatig deel laten uitmaken van het maatmaninkomen, aldus voorts de Raad, die daaraan heeft toegevoegd dat hij in de omstandigheden van het voorliggende geval geen grond ziet voor het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat in afwijking van een wettelijk voorschrift, als uitgelegd in 's Raads jurisprudentie, had moeten worden beslist.

De Raad stelt allereerst vast dat in de thans aanhangige gedingen evenzeer geldt dat is gesteld noch gebleken dat appellants (voormalige) werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk is en voorts dat - gegeven de hiervoor weergegegen vaste jurisprudentie - gedaagde appellants maatmaninkomen op zichzelf terecht heeft vastgesteld op een bedrag dat leidt tot indeling in de in de respectieve bestreden, evenzeer door de SFB Uitvoeringsorganisatie (Sociale Verzekering) N.V. genomen, besluiten vermelde arbeidsongeschiktheidsklassen.

Appellant heeft zich in hoger beroep voorts op het standpunt doen stellen dat het bij hem op 20 mei 1998 ging om een eerste beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en op 3 november 1999 om een herbeoordeling daarvan. Blijkens het in de evenvermelde uitspraak opgenomen overzicht van de uitvoeringspraktijk per 1 maart 1997 hebben GAK en Uszo het werkgeversaandeel in de premie in mei 1998 bij de eerste beoordeling wel in het maatmanloon verdisconteerd, aldus de gemachtigde van appellant, terwijl hem bekend is dat Cadans toentertijd - anders dan in dat overzicht is vermeld - hetzelfde heeft gedaan. Aangezien het bij hem op 3 november 1999 ging om een herbeoordeling, Uszo steeds en GAK vanaf 15 augustus 1999 ook in dat geval het werkgeversaandeel in de premie in het maatmanloon hebben verdisconteerd en niet is in te zien waarom qua verdiscontering verschil moet worden gemaakt tussen een eerste beoordeling en een herbeoordeling, verkeerde, aldus voorts de gemachtigde van appellant, een aanzienlijk deel van de verzekerden ten opzichte van appellant in een (voor hen voordelige) uitzonderingssituatie. Gelet daarop heeft appellant zich op het standpunt doen stellen dat het voeren van een verschillend beleid door uitvoeringsinstellingen op de beide data in geding in strijd is met de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid.

De Raad volgt appellant in dat standpunt niet, aangezien desgevraagd namens appellant ter zitting is verklaard dat niet wordt beschikt over gegevens ter onderbouwing van de stelling met betrekking tot Cadans, zodat die stelling verder onbesproken dient te blijven, en overigens niet iets is aangevoerd dat aanleiding kan geven tot een ander oordeel dan door de Raad eerder in zijn hiervoor aangehaalde uitspraak van 4 april 2003 gegeven. Met dat oordeel geeft de Raad onmiskenbaar te kennen dat het per 1 maart 1997 (en nog geruime tijd nadien tot de inwerkingtreding van het eenheid brengende Besluit Uniformering Loonkundige Component Arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, Stcrt. 2001/169, 03-09001, waarbij is bepaald dat in beginsel geen rekening moet worden gehouden met de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie) laten voortbestaan van het verschil in uitvoeringspraktijk zeker geen vlekkeloze gang van zaken is (geweest), maar in die situatie onvoldoende aanleiding te zien daaraan de door de appellant in dat andere geval nagestreefde consequentie te verbinden. In het thans aanhangige geval ziet de Raad daartoe evenzeer onvoldoende aanleiding.

Appellant heeft tevens nog doen aanvoeren dat in 's Raads jurisprudentie is vastgelegd dat bij de berekening van het maatmanloon in principe dienen te worden betrokken alle op geld waardeerbare elementen die het loon van de maatman vormen. Gelijk hiervoor is aangegeven geldt dit principe niet in de gevallen waarin de werkgever niet een hoger aandeel in de premie dan in de bedrijfstak gebruikelijk is voor zijn rekening heeft genomen.

Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep van appellant geen doel treffen, zodat, in aanmerking genomen voorts dat geen aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, moet worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

MH

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RSV 2004, 209 met annotatie van M. Landman
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?