03/1059 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 januari 2003, nr. AW 02/1287-FRC, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. E.J. Overgaauw, werkzaam bij de gemeente Rotterdam en door mr. E. de Regt, werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond.
II. MOTIVERING
1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Appellant was sinds 1978 werkzaam bij de politie en sedert 1994 in dienst van gedaagde als medewerker basis- politiezorg. Eind 1999 heeft hij zich ziek gemeld in verband een traumatische gebeurtenis in 1996 en toenemende relationele problemen. In het kader van een arbeidsreïntegratietraject is hij in januari 2000 tewerkgesteld bij de Operationele Ondersteunende Eenheid, afdeling goederenstroom, alwaar hij belast was met de afhandeling van inbeslaggenomen goederen.
1.3. Op 12 juni 2000 heeft een incident plaatsgevonden tussen appellant en zijn toenmalige echtgenote, naar aanleiding waarvan appellants echtgenote aangifte heeft gedaan van (zware) mishandeling c.q. poging daartoe. In verband hiermee is appellant op 13 juni 2000 aangehouden en in verzekering gesteld. Voorts zijn op aangeven van de echtgenote, bij door- zoeking van appellants woning, goederen aangetroffen die afkomstig bleken te zijn van een inbeslagname en die, volgens een mutatie in het bedrijfsprocessen-systeem, door appellant zouden zijn vernietigd. Namens gedaagde is tegen appellant aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking. Op 15 juni 2000 is appellant in vrijheid gesteld. Vervolgens is zowel een strafrechtelijk als een disciplinair onderzoek ingesteld. Appellant heeft erkend zich aan verduistering schuldig te hebben gemaakt.
1.4. Bij vonnis van 13 oktober 2000 is appellant door de politierechter met betrekking tot de telastegelegde mishandeling van zijn echtgenote schuldig verklaard zonder oplegging van straf en is hij met betrekking tot de telastegelegde verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Gedaagde heeft bij brief van 19 juni 2001 zijn voornemen bekend gemaakt appellant met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) te ontslaan, welk voornemen hij bij besluit van 27 juli 2001 heeft uitgevoerd.
2. Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij het bestreden besluit van 15 april 2002, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten politieregio Rotterdam-Rijnmond, ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak is het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. In artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp is bepaald dat de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.
4.2. De Raad dient gelet op appellants stellingen te beoordelen of het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit op goede gronden berust en of dat besluit ook overigens rechtmatig is te achten. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet de ongeschiktheid waarop artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp doelt, zich uiten in het ontbreken van de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn.
4.3. Namens appellant is aangevoerd dat het ontslag wegens functie-ongeschiktheid was ingegeven door de gedachte dat een ontslag op die grond voor appellant de minst ingrijpende gevolgen zou hebben. Deze veronderstelling bleek niet juist, omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigerde appellant een werkloosheidsuitkering toe te kennen. Appellant stelt zich op het standpunt dat gedaagde, gelet op voornoemde, onjuist gebleken veronderstelling, niet had mogen afwijken van het door de bezwaarschriftencommissie gegeven advies appellant de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag op te leggen, gecombineerd met een overplaatsing naar een ander district. Het standpunt van gedaagde dat appellant door het volgen van dat advies in een meer nadelige positie terecht zou komen, acht appellant onjuist.
4.4. Daargelaten de vraag of een ontslag wegens ongeschiktheid, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp, appellant in een nadeliger positie zou brengen dan een voorwaardelijk ontslag verleend op grond van de artikelen 77, eerste lid, aanhef en onder j, en 78 van het Barp, is de Raad van oordeel dat, zoals hij al eerder heeft overwogen
(CRvB 18 augustus 1994, TAR 1994, 210 en 8 april 1999, Rawb 1999/142), in een geval waarin ook andere gronden voor ontslag zijn aan te wijzen, het bestuursorgaan bij een samenloop van ontslaggronden een zekere keuzevrijheid toekomt. Wel moet de grond voor de gedane keuze duidelijk kunnen worden gemotiveerd.
Aan de orde is nu de vraag of gedaagde op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellant anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken ongeschikt was voor de door hem beklede functie.
4.5.1. Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Aan het ontslag ligt de opvatting ten grondslag dat appellant, door zich schuldig te maken aan voormelde verduistering en mishandeling, c.q. poging daartoe, heeft laten blijken onvoldoende inzicht te hebben in de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor het aanzien van het korps. Dat aanzien en het vertrouwen dat de burger en het Openbaar Ministerie in ambtenaren van de politie moeten kunnen stellen, is door appellants gedragingen en de daarop volgende vervolging en veroordeling ernstig geschaad. Dat enkele van de gedragingen in de privé-sfeer hebben plaatsgehad, doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat appellant al 22 jaar werkzaam was bij de politie en een goede staat van dienst heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Van een ervaren politieambtenaar als appellant mag voorts in het bijzonder worden verwacht dat hij op de hoogte is van het grote belang dat wordt gehecht aan betrouwbare en integere omgang met inbeslaggenomen voorwerpen.
4.5.2. De Raad is van oordeel dat gedaagde zich terecht en op goede gronden, als onder 4.5.1. weergegeven, op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet beschikt over de voor zijn functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling. Gedaagdes conclusie dat appellant, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken, ongeschikt is voor zijn functie wordt dan ook door de Raad gevolgd, zodat gedaagde bevoegd was appellant met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp te ontslaan.
4.6. Vervolgens is de vraag aan de orde of gedaagde op rechtens juiste wijze van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Ook deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Gelet op het onder 4.5.1. overwogene mocht gedaagde in het bijzonder het dienstbelang laten prevaleren boven het belang van appellant bij handhaving van zijn dienstverband.
4.7. Voorts acht de Raad gedaagdes beslissing af te wijken van het advies van de genoemde bezwaarschriftencommissie toereikend gemotiveerd en is hij van oordeel dat gedaagde daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen.
4.8.1. Tot slot is namens appellant betoogd dat gedaagde, gelet op de bewoordingen van het tweede lid van artikel 94 van het Barp, het predikaat “eervol” niet aan het ontslagbesluit heeft kunnen onthouden en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat gedaagde van dat predikaat heeft kunnen afzien, omdat het ontslag wegens functieongeschiktheid aan eisers schuld of toedoen zou zijn te wijten.
4.8.2. Deze grief treft doel. Uit de bewoordingen van artikel 94, tweede lid, van het Barp volgt immers dat een ontslag als hier aan de orde niet anders dan “eervol” mag worden verleend. Gedaagde mocht het predikaat “eervol” derhalve niet aan het ontslagbesluit onthouden. Nu gedaagde, zoals de gemachtigde ter zitting heeft verklaard, dit bewust wel heeft gedaan, ziet de Raad grond het bestreden besluit in zijn geheel te vernietigen wegens strijd met voormeld algemeen verbindend voorschrift, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Gedaagde zal een nieuwe beslissing moeten nemen op appellants bezwaar met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 15 april 2002;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de politieregio Rotterdam-Rijnmond;
Bepaalt dat de politieregio Rotterdam-Rijnmond aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 254,- vergoedt;
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.M. Okyay-Bloem.