CENTRALE RAAD VAN BEROEP
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak op 8 december 2004
van de meervoudige kamer
Zitting hebben: mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, griffier: S.W.H. Peeters.
zaak 7 en zaak 8, reg.nrs.: 03/281 WVG en 03/351 WVG inzake:
[appellant ] en [appellante], wonende te Nijmegen, appellanten, verschenen bij hun gemachtigde mr. J. van Delft, advocaat te Nijmegen,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, gedaagde, dat zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.J.F. Widdershoven en mr. P. van Berkum, beiden werkzaam bij gedaagde.
Bij het besluit van 22 juni 2000 heeft gedaagde appellanten - ten behoeve van hun dochter Shannon (geboren [in] 1999) - met ingang van 1 juli 2000 een vervoerskostenvergoeding toegekend van f 322,50 per kwartaal. Dat bedrag is 60% van het normbedrag, omdat Shannon al geruime tijd in een AWBZ-instelling verblijft.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 9 oktober 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 11 december 2002, reg.nr.: 00/1946 WVG, ongegrond verklaard.
De rechtbank is - met verwijzing naar ’s Raads jurisprudentie - tot het oordeel gekomen dat het door gedaagde gehanteerde normenstelsel (in de regel 60% van het normbedrag) niet kennelijk onjuist is, en dat er onvoldoende grondslag is voor de vaststelling dat de vervoersbehoefte van Shannon zodanig is dat een hogere vervoerskostenvergoeding dan 60% van het normbedrag moet worden toegekend.
De Raad heeft in hetgeen namens appellanten in hoger is aangevoerd geen aanleiding gevonden om het oordeel en de overwegingen van de rechtbank niet te volgen. Mede gelet op het feit dat appellanten ten tijde in geding ook gebruik konden maken van een door gedaagde toegekende bruikleenauto, en dat Shannon kon beschikken over een door gedaagde toegekende rolstoelfiets, moet de Raad - in het licht van zijn vaste jurisprudentie (o.a. JSV 1998/225, RSV 2002/139 en USZ 2002/119) - concluderen dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en beslist derhalve als volgt.
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 8 december 2004.
De plv. griffier De fungerend voorzitter.
S.W.H. Peeters mr. M.I. ’t Hooft
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep