ECLI:NL:CRVB:2005:AT6665

ECLI:NL:CRVB:2005:AT6665, Centrale Raad van Beroep, 04-05-2005, 04/1154 WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 04-05-2005
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 04/1154 WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002170 BWBR0002524 BWBR0004045 BWBR0005537 BWBR0007746 BWBR0009565

Samenvatting

Aanvraag premiekorting WAO niet binnen één jaar na aanvang dienstverband met arbeidsgehandicapte.

Uitspraak

04/1154 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft G. Louw, werkzaam bij Robidus Adviesgroep B.V. te Zaandam, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 9 februari 2004 onder kenmerk 03/1247 door de rechtbank Haarlem gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 maart 2005, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. D. Loen, kantoorgenote van G. Louw en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.K. Dik, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij het bestreden besluit van 21 juli 2003 heeft gedaagde zijn besluit van 4 juni 2003 gehandhaafd, waarbij aan appellante is medegedeeld dat haar aanvraag betreffende een premiekorting als bedoeld in artikel 79b van de Wet op de Arbeidsongeschiktheids-verzekering (hierna:WAO) en artikel 82a van de Werkloosheidswet (hierna: WW) niet in behandeling wordt genomen omdat de aanvraag niet is ingediend binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn van één jaar na aanvang van de dienstbetrekking. Het beroep van appellante tegen dit besluit is door de rechtbank ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van die uitspraak bestreden. Daarbij heeft zij de in beroep bij de rechtbank aangevoerde gronden herhaald. Appellante meent dat er sprake is van onverschuldigde - en dus terugvorderbare - premiebetaling harerzijds, acht het buiten behandeling laten van de aanvraag een te zware sanctie op een geringe termijnoverschrijding en beroept zich op de strekking van de wet, op onvoldoende voorlichting en op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.

Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hieraan voegt de Raad nog het volgende toe.

Vaststaat dat de aanvraag om premiekorting niet binnen de voorgeschreven termijn van één jaar is ingediend nu de werknemer op 1 februari 2002 bij appellante in dienst is getreden en de aanvraag niet eerder dan 27 februari 2003 is gedaan. Een mogelijk eerder gedane telefonische aanvraag kan niet als een aanvraag als bedoeld in artikel 79b van de WAO en artikel 82a van de WW worden aangemerkt nu een aanvraag ingevolge artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schriftelijk bij het bevoegde bestuursorgaan moet worden ingediend.

De ratio van de onderhavige premiekortingsregeling is niet het geven van een beloning achteraf vanwege het in dienst nemen van een arbeidsgehandicapte, waarbij de termijnstelling vooral een karakter van orde heeft. Blijkens de ontstaansgeschiedenis van de wet ligt de ratio in het stimuleren van de werkgever tot het in dienst nemen van een arbeidsgehandicapte door hem een premiekorting in het vooruitzicht te stellen. Dit impliceert dat de werkgever zich reeds ten tijde van de indiensttreding van de werknemer bewust is van de mogelijkheid tot premiekorting en dat deze één van zijn beweegredenen vormt de werknemer in dienst te nemen. De aanvraagtermijn van één jaar is een materiële toepassingsvoorwaarde voor de premiekorting. In dit licht bezien kan geen van appellantes grieven slagen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellante terecht ongegrond heeft geacht.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep.

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2005/276
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?