05/5504 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het verzoek om herziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Raad van 28 juni 2005, 03/4704,
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 juni 2005, 03/4704.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 mei 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
Bij de uitspraak van 28 juni 2005 heeft de Raad in hoger beroep de door verzoeker bestreden uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 augustus 2003, 2003/242, bevestigd. Partijen verschilden van mening over de vraag in hoeverre de inkomsten uit studiefinanciering van de echtgenote van verzoeker in aanmerking moesten worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand van verzoeker.
De Raad stelt vast dat hetgeen verzoeker in zijn verzoekschrift omtrent de uitspraak van 28 juni 2005 heeft aangevoerd, niet kan worden aangemerkt als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De feiten en omstandigheden waarop verzoeker zich beroept dateren alle van vóór die uitspraak en zijn in de procedure die tot de uitspraak heeft geleid - materieel - ook aan de orde geweest. Er is derhalve geen sprake van feiten of omstandigheden die bij verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren.
Wat verzoeker met het verzoek om herziening in wezen beoogt, is het ter discussie stellen van de juistheid van de uitspraak van 28 juni 2005. Daarvoor is het - bijzondere - rechtsmiddel van herziening echter niet bedoeld.
Het verzoek om herziening dient daarom te worden afgewezen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) M. Pijper.
RB0905