04/4506 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2004, 03/1886 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 16 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2006.
Voor appellante is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. G.G. Prijor.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 2 september 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.
Bij besluit van 11 juni 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 september 2002 gegrond verklaard en aan appellante alsnog per 25 mei 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv tevens met toepassing van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht beslist op het door appellante ingediende verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Voor verleende rechtsbijstand is met betrekking tot de WAO-procedure een vergoeding van € 644,- toegekend, de kosten verbonden aan het opvragen van inlichtingen bij de behandelende sector zijn vergoed, maar het verzoek om vergoeding van de kosten van de ten behoeve van het bezwaar door mevrouw Verhage van Instituut Psychosofia uitgebrachte rapporten is afgewezen.
Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank. Zij heeft de omvang van dit beroep uitdrukkelijk beperkt tot de kwestie van de vergoeding van de rapporten van mevrouw Verhage.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard.
Met betrekking tot het tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep overweegt de Raad het volgende.
De gemachtigde van appellante heeft onder aanvoering van haar uit tal van andere beroepszaken bekende argumenten getracht de Raad ervan te overtuigen dat de rapporten van mevrouw Verhage met toepassing van artikel 7:15 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed behoren te worden. Deze argumenten treffen geen doel. De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 april 2005 (LJN: AT4323) uitgebreid uiteengezet waarom de rapporten van mevrouw Verhage niet voor vergoeding in aanmerking komen. Duidelijker dan in die uitspraak kan de Raad het niet zeggen. Daarom volstaat de Raad ook thans met een verwijzing naar die uitspraak.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en
I.M.J. Hilhorst Hagen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
JL