ECLI:NL:CRVB:2007:BA1451

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1451, Centrale Raad van Beroep, 22-03-2007, 06-1967 CSV

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-03-2007
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 06-1967 CSV
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 5 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002126 BWBR0002524 BWBR0005290 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0017745 BWBR0017747

Samenvatting

Aanvraag korting en vrijstelling op de basispremie WAO. Buitenwettelijk begunstigend beleid.

Uitspraak

06/1967 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 februari 2006, kenmerk 05/3040 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 22 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft Th.B.G. van Dillen, consultant te Amersfoort, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met drie vergelijkbare zaken, plaatsgevonden op 8 februari 2007. Namens appellant zijn verschenen mr. W. Zwanink en P.R.H. Min, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen Th.B.G. van Dillen, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Op 9 maart 2005 heeft betrokkene een zogeheten aanvraag korting en vrijstelling op de basispremie WAO als bedoeld in artikel 77b (oud) van de WAO voor 1998 ingediend. Bij besluit van 7 april 2005 heeft appellant die aanvraag, onder verwijzing naar artikel 13, derde lid, CSV, afgewezen. Deze afwijzing is bij besluit op bezwaar van 15 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) gehandhaafd.

De rechtbank heeft overwogen dat bij premierestitutie beslissend is het jaar waarin de premie is vastgesteld. In het geval van betrokkene heeft appellant in december 2002 een navordering (correctienota) opgelegd over 1998. Deze correctienota dient te worden aangemerkt als premievaststelling, zodat het verzoek van betrokkene is ingediend binnen de termijn van artikel 13, derde lid, CSV.

Appellant heeft in hoger beroep eerst ter zitting medegedeeld dat, bij gebreke van een nader wettelijk kader, voor de behandeling van de aanvraag en de vaststelling van het recht op korting en vrijstelling als bedoeld in artikel 77b (oud) WAO een begunstigend beleid is ontwikkeld. Dit beleid houdt in dat indien een werkgever binnen een termijn van vijf jaar na het uitreiken van een afrekeningnota over enig jaar, de aanvraag voor dat jaar alsnog indient, deze aanvraag in behandeling wordt genomen en, indien de aanvraag aan de voorwaarden voldoet, alsnog kan leiden tot herziening van die afrekeningnota. De termijn van vijf jaar is ontleend aan artikel 13, derde lid, CSV, welke bepaling door appellant niet (langer) rechtstreeks van toepassing wordt geacht op aanvragen als hier aan de orde.

De Raad overweegt als volgt.

Het bestreden besluit berust op het bepaalde in artikel 13, derde lid, CSV. In de uitspraak van 7 december 2006, LJN AZ4086, heeft de Raad onder meer overwogen dat blijkens inmiddels vaste rechtspraak van de Raad artikel 11, vierde lid, van de CSV en artikel 13, derde lid, van de CSV geen zelfstandige betekenis hebben, maar dat in deze bepalingen slechts is vastgesteld wat de rechtsgevolgen zijn van een besluit van appellant waaruit volgt dat een werkgever meer aan premies heeft betaald dan is verschuldigd.

Vast staat dat door appellant geen besluit is afgegeven waaruit volgt dat betrokkene meer aan premies heeft betaald dan is verschuldigd. Dat betekent dat het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de CSV.

Dit vormt reeds grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak en -onder gegrondverklaring van het beroep- van het bestreden besluit.

Op grond van het navolgende is de Raad evenwel van mening dat er aanleiding bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

In bovengenoemde uitspraak van 7 december 2006 heeft de Raad ook overwogen dat een verzoek tot vrijstelling en korting op de basispremie WAO als bedoeld in artikel 77b (oud) van de WAO moet worden aangemerkt als een verzoek tot premievaststelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de CSV. Voor deze laatste bepaling is artikel 13, eerste lid, van de CSV leidend. Voornoemd artikel bepaalt dat door het Uwv geen premie meer wordt vastgesteld na verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarover de premie verschuldigd is geworden. De premieschuld ontstaat van rechtswege op het ogenblik dat de werkgever loon betaalt (HR 16 april 1982, NJ 1982, 635). Hieruit vloeit voort dat de premie over het premiejaar 1998 vanaf 1 januari 2004 niet langer kan worden vastgesteld. De aanvraag van 5 augustus 2004 is dan ook terecht afgewezen.

Dat er in 2002 door middel van een correctienota een nadere vaststelling van de over 1998 verschuldigde premie heeft plaatsgevonden, doet aan het voorgaande niet af. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden binnen de in artikel 13, eerste lid, van de CSV vermelde termijn. Het beroep dat betrokkene in dit verband heeft gedaan op het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de CSV kan niet slagen. Zoals hiervoor is vermeld regelt dat artikel slechts de verjaring van de rechtsvordering tot terugbetaling nadat uit een besluit tot herziening van de premievaststelling is gevolgd dat een premieplichtige eerder onverschuldigd premie heeft betaald. Het rechtsgevolg van de premiecorrectie in 2002 was echter niet dat onverschuldigd premie was betaald.

Anders dan betrokkene heeft doen aanvoeren, is de Raad dan ook niet van oordeel dat titel voor een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de CSV rechtsreeks uit artikel 77b (oud) van de WAO voortvloeit. Een dergelijke titel ontstaat eerst nadat een besluit is afgegeven waaruit volgt dat onverschuldigd premies zijn betaald.

Gelet op hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen omtrent de kwalificatie van een verzoek tot vrijstelling en korting op de basispremie WAO behoeft de vraag wanneer er sprake is van vaststelling van premie als bedoeld in artikel 13, derde lid, CSV geen bespreking.

De Raad stelt vast dat het door appellant gevoerde beleid zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid is. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie o.a. CRvB 5 december 2006, USZ 2007/24) dient dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente en niet onredelijke wijze is toegepast. Ondanks het feit dat de Raad het weinig gelukkig acht dat eerst ter zitting van dit beleid is gebleken, dient voorgaande vraag bevestigend te worden beantwoord.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, behoudens de beslissingen omtrent proceskosten en griffierechtvergoeding, moet worden vernietigd. Voorts wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Een en ander vormt voor de Raad wel aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitsproken in het openbaar op 22 maart 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.C. Palmboom.

JK/1332007

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2007/172
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?