ECLI:NL:CRVB:2007:BA4276

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4276, Centrale Raad van Beroep, 12-04-2007, 06-297 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 12-04-2007
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 06-297 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Beroep tegen inzake beoordeling van ambtenaar genomen besluit. Overwegingen ten overvloede. Procesbelang.

Uitspraak

06/297 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 2005, 05/2070 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (hierna: college)

Datum uitspraak: 12 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met andere gedingen tussen appellant en het college, plaatsgevonden op 1 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. H.S.P. Stuiver, advocaat te De Meern. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en A. van Laar-Melsen, werkzaam bij Wageningen Universiteit en Researchcentrum. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was vanaf 1 september 2003 werkzaam in de functie van universitair docent bij de leerstoelgroep [leerstoelgroep] van Wageningen Universiteit en Researchcentrum.

1.2. Op 26 mei 2004 is een beoordeling over het functioneren van appellant opgemaakt, die op 22 juli 2004 door het college is vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 10 mei 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het college het tegen de beoordeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de beoordeling ingetrokken, omdat de beoordeling niet volgens de formele, daarvoor geldende procedureregels was verlopen.

2. Appellant heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het bestreden besluit. Het beroep was niet gericht tegen de intrekking van de beoordeling, maar tegen een bepaalde passage in het bestreden besluit en tegen enkele door het college als ten overvloede aangeduide overwegingen. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep uiteengezet waarom hij volgens hem wel een processueel belang heeft bij het schrappen van de betrokken passage en van de overwegingen ten overvloede. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1. Ten aanzien van de door appellant gewraakte passage in het bestreden besluit, inhoudende dat de intrekking van de beoordeling op formele gronden nog geen erkenning inhoudt van de materiƫle onjuistheid, heeft de rechtbank overwogen, kort gezegd, dat daarmee de beoordeling niet in materiƫle zin in stand wordt gehouden en dat niet meer dan een beschrijving van het gevolg van de intrekking wordt gegeven, zodat appellant geen procesbelang heeft bij een rechterlijke beoordeling hiervan. De Raad onderschrijft deze overwegingen en de daarop gebaseerde conclusie van de rechtbank dat geen sprake is van een op rechtsgevolg gericht onderdeel van een besluit dan wel een handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat appellant geen procesbelang heeft bij een rechterlijke beoordeling hiervan. Het door appellant ter zitting geuite vermoeden dat vanwege het college waarschijnlijk geen gunstige referenties over hem zullen worden verstrekt staat hier los van en is geen grond om een dergelijk processueel belang wel aanwezig te achten.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met betrekking tot de ten overvloede gegeven overwegingen eveneens terecht geconcludeerd dat daaraan geen zelfstandig rechtsgevolg toekomt en dat evenmin sprake is van een appellabele handeling, waardoor appellant in zijn rechtspositionele belangen is geraakt, zodat appellant geen belang heeft bij een rechterlijke beoordeling. De rechtbank heeft daartoe met juistheid overwogen dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat deze overwegingen van het college bindend moeten worden geacht in het kader van andere besluitvorming. Het opnemen van deze overwegingen ten overvloede staat er niet aan in de weg dat deze, wanneer zij aan andere besluitvorming ten grondslag worden gelegd, in dat kader kunnen worden aangevochten.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ABkort 2007/270
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?