ECLI:NL:CRVB:2008:BF4318

ECLI:NL:CRVB:2008:BF4318, Centrale Raad van Beroep, 25-09-2008, 07-2708 WSW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 25-09-2008
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 07-2708 WSW
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMID:2007:BA4779
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Ontvankelijkheid (hoger) beroep. Procesbelang. Geen geschil meer over indicatiestelling. Openbaar lichaam belast met uitvoering WSW aanmerken als belanghebbende? Enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang? De wens een principiële uitspraak te krijgen is onvoldoende.

Uitspraak

07/2708 WSW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 16 maart 2007, 07/57 en 07/122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam Arbeidsintegratiebedrijf Dethon (hierna: Dethon)

en

appellant,

en

[Naam belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

Datum uitspraak: 25 september 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

[Naam belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]), is in de gelegenheid gesteld als belanghebbende aan dit geding deel te nemen. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R.K. Nai-Chung-Tong en mr. C.C. Favier, beiden werkzaam bij de Centrale organisatie werk en inkomen. Dethon heeft zich, zoals was bericht, niet laten vertegenwoordigen en [belanghebbende] is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de Raad van 2 februari 2006, 04/4327 WSW, LJN AV2040 (hierna: uitspraak 1). De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 4 september 2003 heeft Dethon bepaald dat [belanghebbende] niet langer behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 januari 2004. Bij uitspraak 1 is dat besluit na daartegen door [belanghebbende] ingesteld beroep vernietigd en is bepaald dat een nieuwe beslissing genomen moet worden op het bezwaar van [belanghebbende]. Aangetekend werd dat inmiddels, ingevolge de wet van 30 juni 2004, Stb. 325, bij appellant de bevoegdheid berust tot het nemen van een beslissing tot (her)indicatie en dus ook tot het nemen van een beslissing op bezwaar daartegen.

1.2. Appellant heeft bij besluit van 22 december 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van [belanghebbende] tegen het besluit van 4 september 2003 gegrond verklaard en bepaald dat [belanghebbende] blijft behoren tot de doelgroep van de Wsw. Tegen het besluit van 22 december 2006 heeft Dethon beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover in dit geding van belang, heeft de rechtbank het beroep van Dethon ongegrond verklaard. In de eerste plaats heeft de voorzieningen-rechter het standpunt ingenomen dat Dethon belanghebbende is in de zin van artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overwogen is - kort samengevat - dat Dethon als openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 8 van de Wsw, is belast met de uitvoering van de Wsw en als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid en onder a, van de Awb door een indicatiebesluit van appellant rechtstreeks in de aan de hem toevertrouwde belangen wordt getroffen als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb.

3. Appellant kan zich in hoger beroep alleen met laatstgenoemd standpunt van de voorzieningenrechter niet verenigen. In de kern komt zijn betoog erop neer dat, nu ingevolge de onder 1.1 genoemde wet per 1 januari 2005 de beslissingsbevoegdheid inzake de indicatiestelling alsook het behandelen van daarmee samenhangende bezwaar- en beroepschriften is overgeheveld van gemeenten dan wel werkvoorzieningschappen naar appellant, door het aanmerken van Dethon als belanghebbende de ratio van de wettelijke bevoegdheidsverdeling wordt gefrustreerd, met door de wetgever niet bedoelde gevolgen van dien.

4. In aanmerking genomen dat Dethon heeft berust in de aangevallen uitspraak waarin het beroep van Dethon ongegrond is verklaard, zodat er geen geschil meer bestaat over de indicatiestelling, heeft de Raad ambtshalve het procesbelang van appellant in hoger beroep aan de orde gesteld.

4.1. Appellant heeft ter zitting erop gewezen dat het belang van hem bij een uitspraak van de Raad over het door hem ingebrachte punt van geschil erin ligt dat hij een definitief antwoord wil op de principiële vraag of bestuursorganen zoals Dethon belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 en artikel 8:1 van de Awb bij een besluit inzake (her)indicatie op grond van de Wsw. Deze vraag doet zich in de uitvoeringspraktijk, buiten het geval van Dethon om, geregeld voor en wacht nog op een antwoord van de Raad, aldus appellant.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 5 september 2002, TAR 2002, 23, en 12 oktober 2006, LJN AZ0627) is voor een ontvankelijk (hoger) beroep vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een uitspraak. Daartoe volstaat niet de enkele wens van een partij dat de Raad een principiële uitspraak doet, ook met het oog op vergelijkbare situaties nu en in de toekomst. De Raad stelt vast dat dit laatste aan de orde is nu over het besluit dat [belanghebbende] behoort tot de doelgroep van de Wsw tussen partijen geen geschil meer bestaat.

4.3. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. De Raad vindt in het vorenstaande aanleiding om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van [belanghebbende] in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de Centrale organisatie van werk en inkomen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van de Centrale organisatie van werk en inkomen een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en A. Beuker-Tilstra als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. van Berlo.

HD

Q

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BA 2008/261
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?