ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8214

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8214

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 08-09-2009
Datum publicatie 05-04-2013
Zaaknummer 08-298 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Dat appellant voor zijn extra werkzaamheden geen geldelijke vergoeding ontving doet - wat er overigens van zij - niet ter zake, nu het ging om werkzaamheden, waarvoor normaliter betaling wordt ontvangen of kan worden bedongen en reeds daarom aan het College hadden moeten worden gemeld. Appellant heeft redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat deze werkzaamheden van belang waren voor de vaststelling (van de omvang) van zijn recht op bijstand. Door er geen melding van te maken heeft hij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De door appellant gestelde gebrekkige taalbeheersing en onbekendheid met de Nederlandse (rechts)cultuur maken dit niet anders. Het betrof werkzaamheden die appellant op andere tijden tegen betaling verrichtte. Bovendien komt uit de gedingstukken naar voren dat hij als beloning gratis gebruik mocht maken van de auto van zijn werkgever. Zes maanden jurisprudentie mist toepassing.

Uitspraak

08/298 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2007, 06/4970 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2009. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Steijgerwalt en vergezeld door zijn echtgenote. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 2 maart 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 2 mei 2005 werkte hij krachtens een zogenoemd oproepcontract in een supermarkt te [plaatsnaam]. Uit waarnemingen is naar voren gekomen dat hij vaker en langer in de supermarkt aanwezig was en werkzaamheden verrichtte dan hij aan het College opgaf. Naar aanleiding hiervan heeft het College een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn appellant en diens echtgenote op 15 februari 2006 gehoord door de sociale recherche. De eigenares, de mede-eigenaar, de voormalige eigenaar en een medewerkster van de supermarkt zijn als getuigen gehoord.

1.2. Uit de bevindingen van dit onderzoek heeft het College de conclusie getrokken dat appellant onjuiste en/of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt met betrekking tot de feitelijk door hem gewerkte uren. Nu daarvan geen administratie is bijgehouden, is het recht van appellant op bijstand volgens het College niet vast te stellen. Op deze grond heeft het College de betaling van de uitkering per 1 februari 2006 opgeschort. Vervolgens heeft het College bij besluit van 18 mei 2006 de bijstand met ingang van 1 februari 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) alsmede over de periode van 2 mei 2005 tot en met 31 januari 2006 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.020,32 van appellant en diens echtgenote teruggevorderd.

1.3. Bij het besluit van 20 september 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Inmiddels heeft het College aan appellant met ingang van 1 februari 2006 opnieuw bijstand verleend. Het geschil tussen partijen heeft dus uitsluitend nog betrekking op de intrekking en de terugvordering over de periode van 2 mei 2005 tot en met 31 januari 2006.

4.2. Aan appellant kan worden toegegeven dat het besluit van 20 september 2006 ongelukkig is gemotiveerd, nu het verwijst naar een advies van de commissie voor de bezwaarschriften dat op zijn beurt verwijst naar een advies van die commissie ten aanzien van een ander besluit, namelijk de opschorting van de bijstand per 1 februari 2006. Appellant beschikte echter over beide adviezen en deze zijn, in onderlinge samenhang gelezen, niet zodanig gebrekkig dat appellant de grondslag van het bestreden besluit daaruit niet voldoende heeft kunnen afleiden. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond faalt dus.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant op zichzelf erkent dat hij zich in de ter beoordeling staande periode regelmatig langer en vaker in de supermarkt heeft opgehouden dan op de inkomstenformulieren als gewerkte tijd is vermeld. Daartoe heeft appellant gewezen op de cultuur waaruit hij afkomstig is, waarin niet wordt geaccepteerd dat een man thuis zit, en op zijn behoefte aan sociale contacten. Tevens heeft appellant aangegeven dat hij in die gevallen vanwege zijn culturele achtergrond niet werkloos kon toezien, maar - onbetaald - hielp waar dat nodig was. Gelet op deze verklaring met toelichting van appellant, alsmede op de verklaringen van de eigenares van de supermarkt en de overige getuigen, acht de Raad aannemelijk dat de extra werkzaamheden niet wezenlijk afweken van de bedongen arbeid tijdens de uren waarvoor appellant was opgeroepen. De Raad wijst overigens op zijn vaste jurisprudentie die inhoudt dat aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op de bestaande werkplek (reeds) de vooronderstelling rechtvaardigt dat de betrokkene tijdens die aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht (CRvB 20 september 2005, LJN AU2890).

4.4. Hetgeen onder 4.3 is overwogen brengt met zich dat de Raad voorbij kan gaan aan de door appellant en diens echtgenote gestelde taal- en communicatieproblemen tijdens het verhoor. Appellant heeft desgevraagd niet kunnen aangeven op welke punten hun verklaringen, zoals door de sociale recherche opgetekend, niet met de werkelijkheid in overeenstemming zijn.

4.5. Dat appellant voor zijn extra werkzaamheden geen geldelijke vergoeding ontving doet - wat er overigens van zij - niet ter zake, nu het ging om werkzaamheden, waarvoor normaliter betaling wordt ontvangen of kan worden bedongen en reeds daarom aan het College hadden moeten worden gemeld. Appellant heeft redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat deze werkzaamheden van belang waren voor de vaststelling (van de omvang) van zijn recht op bijstand. Door er geen melding van te maken heeft hij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De door appellant gestelde gebrekkige taalbeheersing en onbekendheid met de Nederlandse (rechts)cultuur maken dit niet anders. Het betrof werkzaamheden die appellant op andere tijden tegen betaling verrichtte. Bovendien komt uit de gedingstukken naar voren dat hij als beloning gratis gebruik mocht maken van de auto van zijn werkgever. Verder is in de toekenningsbeschikking vermeld dat appellant verplicht is onbetaalde werkzaamheden direct te melden en wordt op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren met zoveel woorden gevraagd of vrijwilligerswerk of andere onbetaalde arbeid wordt verricht. Appellant heeft deze vragen ontkennend beantwoord. Voor zover appellant meent dat het College hem bij aanvang van de bijstandsverlening of van de werkzaamheden uitdrukkelijk - door tussenkomst van een tolk - had moeten meedelen dat aanwezigheid op het werk gedurende niet betaalde uren voor de toepassing van de WWB een probleem zou opleveren, heeft de Raad voor het bestaan van een zo ver strekkende voorlichtingsplicht aan de zijde van het College geen aanknopingspunten gevonden. Voor zover appellant beoogt een beroep te doen op de zogeheten zes-maanden-jurisprudentie, merkt de Raad op dat voor toepassing daarvan in beginsel geen plaats is, indien - zoals in dit geval - sprake is van schending van de inlichtingenverplichting (CRvB 17 juli 2007, LJN BB1640).

4.6. Als gevolg van die schending is het recht op bijstand niet meer vast te stellen. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over de in geding zijnde periode. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Dit betekent dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de te veel betaalde bijstand van appellant terug te vorderen. Hetgeen door appellant is aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat sprake is van dringende redenen in de zin van het door het College gevoerde terugvorderingsbeleid of van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten vormen om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van dit beleid af te wijken.

4.8. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. Waasdorp.

RB

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?