08/3048 MAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2008, 07/3366 MAW,
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: minister)
Datum uitspraak: 12 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad van 27 maart 2008.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Verzoeker is verschenen. De minister is, zoals tevoren bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
1.1. Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft de Raad zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2007, 06/10052. Daarbij heeft de Raad kort gezegd overwogen dat hij geen aanleiding ziet zijn in de uitspraak van 8 juni 2006, LJN AX8683 en TAR 2007, 2, neergelegde standpunt, te weten: dat de grootvader van verzoeker ten tijde in geding geen militair ambtenaar was in de zin van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (hierna: MAW), zoals deze luidde ten tijde van belang, en dat hij geen toegang kan krijgen tot de met rechtspraak op grond van artikel 4 van de MAW belaste rechtbank ’s-Gravenhage, te wijzigen. Voorts heeft de Raad zich niet bevoegd geacht kennis te nemen van het geschil tussen partijen, omdat het bestreden besluit geen betrekking heeft op aanspraken van een ambtenaar dan wel gewezen ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste, respectievelijk vierde lid, van de Ambtenarenwet, noch op een nagelaten betrekking of rechtsverkrijgende in de zin van artikel 18 van de Beroepswet en er geen sprake is van een besluit genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet.
2. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening van de uitspraak van 27 maart 2008 aangevoerd - kort samengevat - dat de Raad in die uitspraak:
- de jurisdictiegeschillen tussen de enkelvoudige kamer van de rechtbank ’s-Gravenhage en de meervoudige kamer van de rechtbank ’s-Gravenhage niet aan de orde heeft gesteld;
- niet op de hoogte was van verschillende bijzondere (rechts)feiten, welke dus niet zijn betrokken bij de oordeelsvorming;
- het hoger beroep van verzoeker niet heeft getoetst aan de door verzoeker in het hoger beroepschrift aangehaalde wet(ten) in formele zin;
- zich, evenals de rechtbank, ten onrechte heeft gebaseerd op rechtspraak betreffende ontslag uit de tijdelijke status van militair bij de Koninklijke Landmacht; en - ten onrechte de rechtbank niet heeft bevolen om het beroepschrift door te zenden aan de meervoudige militaire ambtenarenkamer van de rechtbank.
3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De Raad overweegt als volgt.
4. Raad stelt vast dat het verzoek deels eerder aangevoerde en deels nieuwe argumenten bevat.
5. De Raad is van oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd - wat er ook van zij - geen feiten of omstandigheden betreffen die vóór de uitspraak niet bij hem bekend waren dan wel redelijkerwijs bekend konden zijn. Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere middel van herziening niet gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
6. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.
7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD