ECLI:NL:CRVB:2009:BK5113

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5113, Centrale Raad van Beroep, 24-11-2009, 08-728 WWB + 08-729 WWB + 08-734 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 24-11-2009
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 08-728 WWB + 08-729 WWB + 08-734 WWB
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0015703

Samenvatting

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekening. Overschrijding vrij te laten vermogen. De Raad neemt (...) in aanmerking dat de bestemming van het banksaldo van de op zijn naam staande bankrekening niet relevant is, nu vaststaat dat appellant de beschikking had over het voornoemde saldo op de bankrekening. Het enkele feit dat appellant, naar hij aanvoert, een wettelijke onderhoudsverplichting jegens zijn dochter heeft, maakt dit niet anders.

Uitspraak

08/728 WWB

08/729 WWB

08/734 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 december 2007, 07/181, 07/3213 en 07/6099 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Voor appellant is mr. Janszen verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 25 januari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst heeft het College een onderzoek ingesteld naar de op naam van appellant staande bankrekeningen. Daaruit is gebleken dat op het moment van aanvang van de bijstand op één van de bankrekeningen van appellant bij de ING Bank een bedrag van € 10.000,-- stond.

1.3. Bij besluit van 26 april 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 25 januari 2004 tot en met 19 november 2004 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 4.935,-- van appellant teruggevorderd. Het College heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting verzuimd heeft het College mededeling te doen van het feit dat hij op 25 januari 2004 beschikte over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen.

1.4. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover in de onderhavige procedure van belang - het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is - en evenals de rechtbank gaat ook de Raad daarvan uit - dat appellant gedurende de in geding zijnde periode beschikte over vermogen in de vorm van een banktegoed dat de destijds voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep als enige grief aangevoerd dat het op zijn bankrekening staande saldo bestemd was voor zijn studerende dochter.

4.3. Die grief treft geen doel. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bestemming van het banksaldo van de op zijn naam staande bankrekening niet relevant is, nu vaststaat dat appellant de beschikking had over het voornoemde saldo op de bankrekening. Het enkele feit dat appellant, naar hij aanvoert, een wettelijke onderhoudsverplichting jegens zijn dochter heeft, maakt dit niet anders.

4.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

mm

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2010/9
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?