09/3111 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 april 2009, 08/1324 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant stelde mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep in.
Het Uwv voerde verweer en bracht met een brief van 17 augustus 2010 nadere stukken in het geding.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 20 augustus 2010. Namens het Uwv verscheen E.H.J.A. Olthof.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv kende appellant met een besluit van 5 februari 2008 ingaande 25 maart 2008 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toe tot 29 september 2009. Appellant maakte bezwaar tegen de duur van deze uitkering en met het in dit geding bestreden besluit van 10 maart 2008 verklaarde het Uwv dat bezwaar ongegrond.
2. De rechtbank verklaarde het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond.
3. Met een besluit van 30 april 2010 verving het Uwv per 23 juli 2009 de WGA-uitkering van appellant door een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Deze IVA-uitkering duurt tot 1 oktober 2010, dat is de eerste dag van de maand waarin appellant 65 jaar wordt.
4. Het (hoger) beroep richt zich enkel tegen de duur van de WGA-uitkering. Met het (hoger) beroep wil appellant bereiken dat hem tot 1 oktober 2010 een loongerelateerde uitkering toekomt.
5.1. Het is vaste rechtspraak dat het doel dat de belanghebbende met het instellen van het rechtsmiddel wil bereiken, ook daadwerkelijk voor hem bereikbaar moet zijn en dat het beoogde resultaat voor de indiener feitelijk betekenis moet hebben (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 29 januari 2008, LJN BC3264, 21 mei 2008, LJN BD3476, en 1 oktober 2008, LJN BF7417). Als (ieder) processueel belang ontbreekt, dan is het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk.
5.2. De bestuursrechter ziet ambtshalve toe op het (voortbestaan) van het procesbelang ook ten tijde van het bezwaar (zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraak van de Raad van 22 mei 2007, LJN BA6855). Als de belanghebbende het met de procedure maximaal mogelijke al bereikte, ontbreekt een procesbelang.
5.3. Toen het Uwv aan appellant een loongerelateerde IVA-uitkering toekende tot 1 oktober 2010 verviel het procesbelang van appellant bij het hoger beroep, want hij kan hiermee aan de WIA geen uitkering van langere duur of grotere hoogte ontlenen.
6. Het hoger beroep is zodoende niet-ontvankelijk.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2010.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.A. van Amerongen.
NK