ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352, Centrale Raad van Beroep, 05-11-2010, 09-1855 ANW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-11-2010
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 09-1855 ANW
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 15 zaken
Aangehaald door 25 zaken
16 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840 BWBR0001888 BWBR0002221 BWBR0002368 BWBR0002524 BWBR0002656 BWBR0004045 BWBR0005537 BWBR0007795 BWBR0008086 BWBR0008136 BWBR0008656 BWBR0010997 BWBR0011032 BWBR0011708 BWBR0019057

Samenvatting

Herziening ANW-uitkering met terugwerkende kracht. WW-uitkering. Schending inlichtingenverplichting. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij te veel ANW-uitkering ontving. De Svb heeft het beleid terzake consistent toegepast. Geen sprake van ongeschreven rechtsregels, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, die zich verzetten tegen herziening met terugwerkende kracht.

Uitspraak

09/1855 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 februari 2009, 08/1115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Aalders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is bij besluit van 14 mei 2007 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend. Met ingang van 1 augustus 2007 is de dienstbetrekking waarin appellante werkzaam was beëindigd. Door appellante zijn aan de Svb kopieën toegezonden van de vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst is ontbonden en een salarisspecificatie. Bij besluit van 3 oktober 2007 is, op grond van de door appellante verstrekte informatie ten aanzien van de wijziging van haar inkomen, de hoogte van de uitkering opnieuw vastgesteld. Daarbij heeft de Svb het inkomen van appellante vanaf augustus 2007 op nihil gesteld.

1.2. Tijdens een telefonisch onderhoud op 20 juni 2008 heeft appellante de Svb ervan op de hoogte gesteld dat zij sinds augustus 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangt. Vervolgens heeft appellante een wijzigingsformulier ingezonden en heeft zij specificaties overgelegd van de aan haar betaalde WW-uitkering.

1.3. Bij besluit van 1 augustus 2008 heeft de Svb het inkomen van appellante over de periode augustus 2007 tot en met juli 2008 opnieuw vastgesteld en het recht van appellante op uitkering ingevolge de ANW herzien. In een begeleidende brief bij dat besluit heeft de Svb aan appellante medegedeeld dat het voornemen bestaat de over voornoemd tijdvak onverschuldigd betaalde uitkering van € 9.140,76 van haar terug te vorderen.

1.4. Bij het bestreden besluit van 14 november 2008 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante heeft verzuimd de Svb tijdig in te lichten over het ontvangen van een WW-uitkering en dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij te veel ANW-uitkering ontving. Opgemerkt wordt dat in het geval van appellante geen sprake is van een dringende reden welke ertoe zou moeten leiden dat geheel of gedeeltelijk van herziening van de ANW-uitkering wordt afgezien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij aan de Svb opgave had moeten doen van de aan haar toegekende WW-uitkering en dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante hierdoor haar inlichtingenplicht heeft geschonden.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij wel aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan. De Svb had uit de mededeling dat haar dienstverband per 1 augustus 2007 werd beëindigd moeten concluderen dat appellante vervolgens een WW-uitkering zou ontvangen. Verder is aangevoerd dat herziening van de ANW-uitkering met volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is en daadwerkelijk ingrijpend is in het leven van appellante.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de in het besluit van 1 augustus 2008 vastgestelde aanspraken van appellante op uitkering ingevolge de ANW vanaf augustus 2007 tot en met juli 2008 juist zijn berekend en dat de Svb aan appellante over dat tijdvak te veel nabestaandenuitkering heeft betaald. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of de Svb met recht de uitkering van appellante met terugwerkende kracht

tot 1 augustus 2007 heeft herzien.

4.3. De Raad stelt voorop dat uit artikel 34, eerste lid, van de ANW, volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de ANW is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

4.4. De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.

4.5. Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.

4.6. De Raad is thans van oordeel – in lijn met zijn uitspraak van 16 juli 2010 (LJN BN2197) met betrekking tot het met terugwerkende kracht herzien van een WAO-uitkering en het in dat kader door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gevoerde beleid – dat het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt dient te worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.7. De Raad is niet gebleken dat de Svb voormeld beleid niet consistent heeft toegepast. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar inkomsten uit een WW-uitkering van invloed zouden zijn op de hoogte van haar ANW-uitkering. Voorts heeft de Raad in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat in het geval van appellante sprake is van een kennelijke onredelijke toepassing van artikel 34 van de ANW als bedoeld in voornoemd beleid van de Svb.

4.8. In hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in haar geval ongeschreven rechtsregels, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, zich verzetten tegen toepassing van artikel 34 van de ANW met terugwerkende kracht.

4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

EK

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?