10/850 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Politieregio Groningen, gevestigd te Groningen (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 december 2009, 09/540 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 9 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.D. Schouten, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2010. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. J.D. Schouten, voornoemd, en P.A.M. van Doorn, eveneens werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Stoop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De zaak is gevoegd behandeld met de gedingen 10/2311 CSV en 10/2158 CSV ten name van de Politieregio Rotterdam-Rijnmond en de Politieregio Fryslân. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en is in deze zaken heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Appellante heeft bij brief van 31 december 2008 verzocht om restitutie van onverschuldigd betaalde premies werknemersverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004. Over deze periode zijn naar het oordeel van appellante - waarbij wordt verwezen naar het gewijzigde standpunt van de Belastingdienst dienaangaande - onterecht premies werknemersverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Tijdelijke Ouderenregeling (TOR) afgedragen. Het Uwv heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om herziening van de over de jaren 2002 tot en met 2004 vastgestelde premienota’s en heeft bij besluit van 19 januari 2009 dit verzoek afgewezen.
1.3. Bij besluit van 12 mei 2009 zijn de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat voor herziening slechts ruimte bestaat indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het door appellante aangevoerde, inhoudende dat een TOR-uitkering aangemerkt dient te worden als loon uit vroegere dienstbetrekking, merkt het Uwv niet aan als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid. Tegen de primaire besluiten over de jaren 2002 tot en met 2004 stond de mogelijkheid van bezwaar open en het door appellante aangevoerde had in die bezwaarprocedure aan de orde kunnen komen. Om deze reden is dit verzoek afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel uit het besluit van 12 mei 2009 blijkt dat het Uwv onder toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangegeven dat er in het onderhavige geval niet gebleken is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden, uit het verweerschrift moet worden afgeleid dat het Uwv dit standpunt heeft verlaten. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer RSV 2005/256, zou blijken dat dergelijke verzoeken aangemerkt dienen te worden als verzoeken om een besluit tot premievaststelling als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Op grond hiervan berust naar het oordeel van de rechtbank het besluit van 12 mei 2009 op een ondeugdelijke motivering, hetgeen schending van het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb met zich brengt. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien om op grond van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Nu appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de door het Uwv vastgestelde premienota’s, hebben deze formele rechtskracht gekregen. Deze premienota’s zijn op rechtsgevolg gericht en zijn om die reden als besluiten in de zin van artikel 1:3, van de Awb te beschouwen. Uit de uitspraak van de CRvB van 28 juli 2005, RSV 2005/256 dient te worden afgeleid dat in het kader van artikel 11, vierde lid, van de CSV - evenals bij artikel 4:6 van de Awb - nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dienen te worden gesteld. De rechtbank was van oordeel dat appellante ter ondersteuning van haar herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de CRvB kan totstandkoming van verandering van rechtspraak - in dit geval het door appellante vermelde arrest van de Hoge Raad van 17 april 2009 - niet worden aangemerkt als een zodanig nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel en strijdigheid met het Europese recht afgewezen.
3. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 mei 2009.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen dienaangaande over en weer hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
4.1. Allereerst stelt de Raad vast dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de vaste rechtspraak van de Raad inhoudt dat het enkele ontbreken van een bezwaarclausule onder een primair besluit niet zonder meer leidt tot het aannemen van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Verder is van belang dat appellante uit de inhoud van de premienota’s over de jaren 2002 tot en met 2004, zijnde afrekeningsnota’s over deze jaren, redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat dit besluiten betrof welke op rechtsgevolg waren gericht. Nu door appellante geen rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de door het Uwv vastgestelde premienota’s, hebben deze nota’s formele rechtskracht gekregen.
4.2. De Raad is vervolgens van oordeel dat het Uwv het verzoek van appellante van 31 december 2008 op goede gronden heeft aangemerkt als een verzoek om herziening van de premienota’s over de jaren 2002 tot en met 2004. Onder meer gelet op zijn uitspraak van 28 juli 2005, RSV 2005/256 dienen bij dergelijke verzoeken - evenals bij artikel 4:6 van de Awb - nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gesteld te worden. Met het Uwv en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante ter ondersteuning van haar verzoek om premierestitutie geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Daartoe heeft de Raad laten wegen dat op grond van zijn bestendige rechtspraak een verandering van rechtspraak - in dit geval het door appellante vermelde arrest van 17 april 2009 van de Hoge Raad - niet kan worden aangemerkt als een zodanig nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.
4.3. Appellante heeft in het beroepschrift het standpunt herhaald dat het besluit van 12 mei 2009 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, alsmede strijdig is met het Europese recht. De Raad stelt vast dat een nadere onderbouwing hiervoor ontbreekt. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante geen enkele internationaalrechtelijke bepaling kunnen noemen waarmee de onderhavige weigering tot herziening in strijd zou kunnen zijn. Naar het oordeel van de Raad is dit standpunt van appellante dermate ongespecificeerd dat deze grieven geen doel kunnen treffen.
4.4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2010.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.L.G. Boot.
BvW