09/4911 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2009, 09/1183 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 7 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 oktober 2010. Appellante is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft op 18 juli 2008 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een gezondheidsmatras, een deken en een kussen. De aanvraag is bij besluit van het College van 27 augustus 2008 afgewezen.
1.2. Bij besluit van 16 februari 2008 (lees: 2009) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd - samengevat - dat sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 februari 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het hier om medisch noodzakelijke kosten gaat ten aanzien waarvan haar zorgverzekeraar aan haar heeft meegedeeld dat deze niet worden vergoed, hetgeen betekent dat geen sprake is van een voorliggende voorziening.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient voor de kosten van medische zorg de Zorgverzekeringswet (Zvw) in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de WWB te worden beschouwd. De Raad stelt vast dat hulpmiddelen in verband met medische klachten, mede gelet op artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering, behoren tot het zorgpakket van de Zvw. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet behoort tot de prestaties die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg. Onder verwijzing naar artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering en artikel 2:33 van de Regeling zorgverzekering is de Raad van oordeel dat die situatie zich hier voordoet. Dit brengt met zich dat de Raad het College en de rechtbank volgt in hun oordeel dat artikel 15, eerste lid, van de WWB aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een beoordeling van de door appellante gestelde medische noodzaak van de goederen waarvoor zij bijzondere bijstand heeft aangevraagd.
4.3. Het in hoger beroep overgelegde - van zorgverzekeraar AGIS afkomstige - mutatieformulier waarop appellante zich nog heeft beroepen brengt de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat in dat formulier alleen een voor deze zaak niet relevante mededeling wordt gedaan over allergeenvrije hoezen.
4.4. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2010.
(get.) C. van Viegen.
(get.) N.M. van Gorkum.
BvW