10/2158 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Politieregio Fryslân, gevestigd te Leeuwarden (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 maart 2010, 09/1372 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 9 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.D. Schouten, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2010. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. J.D. Schouten, voornoemd, en bij P.A.M. van Doorn, eveneens werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Stoop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De zaak is gevoegd behandeld met de gedingen 10/850 ALGEM en 10/2311 CSV ten name van de Politieregio Groningen en de Politieregio Rotterdam-Rijnmond. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en is in deze zaken heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Appellante heeft bij brief van 31 december 2008 verzocht om restitutie van onverschuldigd betaalde premies werknemersverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004. Over deze periode zijn naar het oordeel van appellante - waarbij wordt verwezen naar het gewijzigde standpunt van de Belastingdienst dienaangaande - onterecht premies werknemersverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Tijdelijke Ouderenregeling (TOR) afgedragen. Het Uwv heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om herziening van de over de jaren 2002 tot en met 2004 vastgestelde premienota’s en heeft bij besluit van 19 januari 2009 dit verzoek afgewezen.
1.3. Bij besluit van 12 mei 2009 zijn de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat voor herziening slechts ruimte bestaat indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het door appellante aangevoerde, inhoudende dat een TOR-uitkering aangemerkt dient te worden als loon uit vroegere dienstbetrekking, merkt het Uwv niet aan als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Tegen de primaire besluiten over de jaren 2002 tot en met 2004 stond de mogelijkheid van bezwaar open en het door appellante aangevoerde had in die bezwaarprocedure aan de orde kunnen komen. Om deze reden is dit verzoek afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Zij stelt voorop dat zij, anders dan appellante, van oordeel is dat de in geding zijnde premienota’s moeten worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het rechtsgevolg van deze premienota’s is immers dat daarmee de hoogte van de premie wordt vastgesteld die appellante over een bepaald jaar is verschuldigd en dat daaruit betalingsverplichtingen voortvloeien. De verschijnings-vorm van de premienota’s doet daaraan niet af en evenmin dat zij niet zijn voorzien van bezwaarclausules. De rechtbank stelt vervolgens vast dat nu appellante tegen deze premienota’s geen rechtsmiddelen heeft aangewend de premienota’s onherroepelijk zijn geworden. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2004 (LJN AQ8150), moet degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermelden die dat terugkomen rechtvaardigen. Van dit laatste is de rechtbank niet gebleken, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat gewijzigde jurisprudentie geen nieuw feit of veranderde omstandigheid oplevert. Ook het gegeven dat de Belastingdienst vanaf 2006 een andere visie heeft op de aard van de TOR-uitkeringen kan niet worden beschouwd als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Deze gewijzigde visie berust uitsluitend op een andere uitleg door de Belastingdienst van de reeds bekende feiten en omstandigheden. Gelet op het bovenstaande was het Uwv bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek om premierestitutie af te wijzen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
3. Appellante heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad onderschrijft allereerst het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat de premienota’s over de jaren 2002 tot en met 2004 besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden.
4.2. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat het Uwv het verzoek van appellante van 31 december 2008 op goede gronden heeft aangemerkt als een verzoek om herziening van de premienota’s over de jaren 2002 tot en met 2004. Onder meer gelet op zijn uitspraak van 28 juli 2005 (LJN AU0317) dienen bij een dergelijk verzoek
- evenals bij artikel 4:6 van de Awb - nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gesteld te worden. Met het Uwv en de rechtbank stelt de Raad vast dat appellante ter ondersteuning van haar verzoek om premierestitutie geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Daartoe heeft de Raad laten wegen dat op grond van zijn vaste rechtspraak een verandering van rechtspraak - in dit geval het door appellante vermelde arrest van de Hoge Raad van 17 april 2009 - niet kan worden aangemerkt als een zodanig nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.
4.3. Appellante heeft in beroep haar standpunt herhaald dat het besluit van 19 mei 2009 strijdig is met het Europese recht. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante dienaangaande geen enkel verdrag kunnen noemen waarmee de onderhavige weigering tot herziening in strijd zou kunnen zijn. Naar het oordeel van de Raad is dit standpunt van appellante dermate ongespecificeerd dat deze grief geen doel kan treffen.
4.4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2010.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.L.G. Boot.
RB