09/2845 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[naam B.V.], gevestigd te Amstelveen (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2009, 08/2018 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 9 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft F.W. Brok, werkzaam bij Brok Accountancy B.V., hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2010. Namens appellante zijn F.W. Brok en haar directeur [naam directeur appellante] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Segers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. In september 2007 is door medewerkers van de belastingdienst bij appellante een looncontrole uitgevoerd betreffende de jaren 2002 tot en met 2005, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 26 september 2007. Op grond van die bevindingen heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) met betrekking tot de door hem voor appellante verrichte werkzaamheden in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat tot appellante. Mede in verband hiermee heeft het Uwv op 26 november 2007 aan appellante over de jaren 2002 tot en met 2005 correctienota’s opgelegd. Bij besluit van 11 april 2008, voor zover hier van belang, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen genoemde correctienota’s ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
11 april 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellante voert daartoe aan dat [betrokkene] met ingang van 1 januari 1990 voor haar werkzaamheden is gaan verrichten en dat over zijn positie in het bedrijf in 1990 overleg is gevoerd met de toenmalige Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (hierna: Detam). De Detam is daarbij tot de conclusie gekomen dat [betrokkene] geen werknemer is in de zin van de werknemersverzekeringen en dat appellante derhalve voor [betrokkene] geen premies ingevolge die verzekeringen is verschuldigd. Om die reden is voor [betrokkene] een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Appellante beschikt niet meer over de schriftelijke bevestiging van de met de Detam gemaakte afspraak, maar wel over een factuur van Detam Pensioen Services waaruit blijkt dat voor [betrokkene] over het eerste kwartaal van 2000 geen pensioenpremie in rekening is gebracht. Naar de mening van appellante is bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat [betrokkene] niet verzekeringsplichtig is omdat in 16 jaar tijd (de jaren 1990 tot en met 2005) de definitieve jaarrekening is ontvangen zonder dat van de zijde van de Detam en haar rechtsopvolgers een vraag is gesteld over de positie van [betrokkene] en omdat ter zake geen premiecorrecties zijn aangebracht.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad stelt vast dat appellante niet betwist dat [betrokkene] in de jaren hier in geding in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot haar stond. Hij was dan ook verplicht verzekerd ingevolge artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.
Uitsluitend in geschil is of, zoals appellante stelt, het Uwv het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door [betrokkene] als verzekeringsplichtig aan te merken en appellante ter zake als premieplichtig.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ontstaan verzekerings- en premieplicht van rechtswege en kunnen derhalve algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, daarbij geen rol spelen. Met betrekking tot de naheffing van premie is de Raad niet gebleken van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededelingen van de Detam en haar rechtsopvolgers aan appellante waaraan zij een in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het Uwv ten aanzien van [betrokkene] over de jaren 2002 tot en met 2005 niet zou overgaan tot vaststelling en naheffing van premies. Appellante erkent dat zij de in 1990 gemaakte afspraak met de Detam, dat [betrokkene] niet als verplicht verzekerde ingevolge de werknemers-verzekeringen wordt beschouwd, niet kan aantonen. De omstandigheid dat Detam Pensioen Services aan appellante geen pensioenpremie in rekening heeft gebracht voor [betrokkene] is niet van belang, reeds omdat daaruit ten aanzien van het vaststellen en naheffen van de onderhavige premies geen verwachtingen kunnen worden ontleend.
Voor de, overigens eerst ter zitting van de Raad aangevoerde, stelling van appellante dat in de loop van de jaren bij haar twee looncontroles zijn uitgevoerd en dat daarbij de positie van [betrokkene] binnen het bedrijf is besproken, heeft appellante geen bewijs aangedragen. De Raad is van oordeel dat appellante geen rechtens te honoreren verwachtingen kan ontlenen aan de omstandigheid dat in 16 jaar tijd aan haar premienota’s zijn opgelegd zonder correcties in verband met de verzekeringsplicht van [betrokkene], omdat die omstandigheid niet valt aan te merken als of gelijk te stellen met uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededelingen van de zijde van het bevoegde bestuursorgaan.
4.3. Het onder 4.2 gegeven oordeel brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en C. van Viegen en
H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) R.L.G. Boot.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20302, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
RB