ECLI:NL:CRVB:2010:BO8869

ECLI:NL:CRVB:2010:BO8869, Centrale Raad van Beroep, 08-12-2010, 09/1726 AWBZ

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 08-12-2010
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 09/1726 AWBZ
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002614 BWBR0005537

Samenvatting

Bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van het uitgangspunt dat een indicatiebesluit in beginsel geen terugwerkende kracht heeft, af te wijken. Betrokkene kan onder de gegeven omstandigheden geen verwijt worden gemaakt voor het niet tijdig indienen van de aanvraag om een vervolgindicatie ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). CIZ heeft geen gronden aangevoerd om welke reden de gevraagde indicatie niet met terugwerkende kracht zou kunnen worden gerealiseerd. De Raad wijst erop dat in het advies van het College voor Zorgverzekeringen, waarnaar CIZ heeft verwezen, ten onrechte een limitatieve opsomming wordt gegeven van omstandigheden die zo bijzonder zijn dat ze afwijking van het uitgangspunt rechtvaardigen. Hiermee wordt miskend dat er ook andere omstandigheden kunnen zijn waarin een indicatie met terugwerkende kracht kan - en moet - worden verleend. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Uitspraak

09/1726 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak

op het hoger beroep van:

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen, (hierna: CIZ),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2009, 08/1797 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

CIZ

en

[betrokkene], wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouders, wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

Het geding is behandeld op de zitting van 8 september 2010. CIZ heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Heuvelman-Koedood, werkzaam bij CIZ. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn vader, [naam vader betrokkene].

1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 7 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit, voor zover dat ziet op het weigeren van een indicatie met terugwerkende kracht, vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, CIZ opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van de uitspraak en gelast dat CIZ aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

2. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven af te wijken van het uitgangspunt dat een indicatiebesluit in beginsel geen terugwerkende kracht heeft. Daartoe is overwogen dat betrokkene onder de gegeven omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt voor het niet tijdig indienen van de aanvraag om een vervolgindicatie ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Voorts is niet in geschil dat betrokkene gedurende de periode van 2 november 2006 tot 17 oktober 2007 op AWBZ-zorg was aangewezen en deze zorg daadwerkelijk heeft genoten.

3. In hoger beroep heeft CIZ onder meer aangevoerd dat de gevraagde zorg niet met terugwerkende kracht kan worden geïndiceerd tot 2 november 2006, omdat de zorgbehoefte pas kan worden vastgesteld na een afgerond onderzoek. Voorts heeft CIZ betoogd dat sprake is geweest van een fout van het Zorgkantoor in het besluit van 5 april 2006, waarin ten onrechte staat vermeld dat de indicatie eindigt op 2 november 2010, waarvoor CIZ niet verantwoordelijk kan worden gesteld.

4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van het uitgangspunt dat een indicatiebesluit in beginsel geen terugwerkende kracht heeft, af te wijken. Hij onderschrijft de hiervoor onder 2 weergegeven overweging van de rechtbank waarop dit oordeel is gebaseerd. De Raad voegt daar aan toe dat de voornoemde fout van het Zorgkantoor in het besluit van 5 april 2006 op zichzelf voor CIZ geen beletsel hoeft te zijn om met terugwerkende kracht te indiceren. Voorts heeft CIZ geen gronden aangevoerd om welke reden in het onderhavige geval de gevraagde indicatie niet met terugwerkende kracht zou kunnen worden gerealiseerd. De Raad wijst erop dat in het advies van het College voor Zorgverzekeringen, waarnaar CIZ heeft verwezen, ten onrechte een limitatieve opsomming wordt gegeven van omstandigheden die zo bijzonder zijn dat ze afwijking van het uitgangspunt rechtvaardigen. Hiermee wordt miskend dat er ook andere omstandigheden kunnen zijn waarin een indicatie met terugwerkende kracht kan - en moet - worden verleend. Het voorgaande betekent dat de ingangsdatum van de indicatie die is vastgesteld bij besluit van 19 oktober 2007 dient te zijn: 2 november 2006.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep beslist als volgt:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat CIZ een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Bepaalt dat van CIZ een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en M.I. ’t Hooft, als leden. Griffier was J. Waasdorp.

IJ

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?