ECLI:NL:CRVB:2010:BO9344

ECLI:NL:CRVB:2010:BO9344, Centrale Raad van Beroep, 29-12-2010, 09-4507 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 29-12-2010
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 09-4507 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ4804
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
9 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888 BWBR0005290 BWBR0005537 BWBR0010346 BWBR0011478 BWBR0013063 BWBR0013540 BWBR0014375 BWBR0019057

Samenvatting

Loonsanctie. De werkgever kan zich laten bijstaan door een arbodienst/bedrijfsarts, maar dat doet niet af aan zijn wettelijke verantwoordelijkheid. In geval van inadequaat handelen van arbodienst of bedrijfsarts kan hij dezen op hun falen aanspreken. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen ligt bij betrokkene als werkgeefster (LJN BK3713).

Uitspraak

09/4507 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 juli 2009, 08/1816 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[naam B.V.], gevestigd te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 29 december 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.J.P. Duijs, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft [naam werkneemster], wonende te [B.] (hierna: werkneemster) bij brief van 17 augustus 2009 verklaard als partij aan het geding te willen deelnemen.

Desgevraagd hebben partijen de Raad toestemming verleend uitspraak te doen zonder behandeling van de zaak ter zitting.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De werkneemster is op 20 december 2005 wegens psychische klachten en klachten aan de knie arbeidsongeschikt geworden voor haar werkzaamheden als makelaar onroerend goed in dienst van betrokkene.

1.2. Bij besluit van 22 november 2007 heeft appellant het tijdvak waarin de werkneemster jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende zijn geweest. Voor dit verzuim ontbreekt volgens appellant een deugdelijke grond. Appellant heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA.

1.3. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 mei 2008 (bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en een proceskostenveroordeling uitgesproken. De rechtbank was daarbij met het Uwv en de (bezwaar)verzekeringsartsen van oordeel dat de werkneemster medio 2007 beschikte over benutbare mogelijkheden van werkhervatting. De rechtbank oordeelde dat nu er sprake was van benutbare mogelijkheden bij de werkneemster, deze mogelijkheden tot functioneren volgens de Beleidsregels door de arbo-arts dienden te worden omschreven binnen de kaders van zes verschillende belastingvelden die de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) kent. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit niet is gebeurd en oordeelde dat als gevolg hiervan door de arbodienst dan wel door betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. De rechtbank was voorts van oordeel dat er zich, gezien de consistente advisering van de arbo-arts, geen omstandigheden voordeden die betrokkene aanleiding hadden kunnen geven om te twijfelen aan de conclusie van haar arbo-arts dat de werkneemster geen benutbare mogelijkheden had. De rechtbank was gelet hierop van oordeel dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht door het onjuiste medische oordeel van de arbodienst te volgen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich te kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De gronden van appellant zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zich, gezien de consistente advisering van de arbo-dienst, geen omstandigheden voordeden die betrokkene aanleiding hadden kunnen geven om te twijfelen aan de conclusie van de arbo-dienst dat de werkneemster geen benutbare mogelijkheden had en dat zij dit medisch oordeel heeft mogen volgen. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat de re-integratie in de eerste plaats en bovenal de verantwoordelijkheid van de werkgever (en de werknemer) is. De werkgever kan zich laten bijstaan door een arbodienst/bedrijfsarts, maar dat doet niet af aan zijn wettelijke verantwoordelijkheid. In geval van inadequaat handelen van arbodienst of bedrijfsarts kan hij dezen op hun falen aanspreken.

4. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Zij is - samengevat - van mening dat zij mocht uitgaan van het oordeel van de bedrijfsarts.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad stelt vast dat betrokkene niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de werkneemster over benutbare mogelijkheden beschikte en dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het geding in hoger beroep is mitsdien beperkt tot de door appellant opgeworpen vraag of betrokkene als werkgever zich in verband daarmee op het medische oordeel van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts heeft mogen baseren.

5.3. De Raad is hieromtrent met appellant van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen bij betrokkene als werkgeefster ligt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713. De Raad ziet in hetgeen door betrokkene is aangevoerd geen reden daarover thans anders te oordelen.

6.1. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen volgt dat de Raad - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat het bestreden besluit waarbij de opgelegde loonsanctie is gehandhaafd in rechte stand kan houden.

6.2. Het hoger beroep slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2010.

(get.) Ch.van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

KR

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?