ECLI:NL:CRVB:2010:BP1072

ECLI:NL:CRVB:2010:BP1072

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-12-2010
Datum publicatie 05-04-2013
Zaaknummer 09-3880 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0015703

Samenvatting

Intrekking en terugvordering bijstand. Het recht op bijstand van appellant is niet vast te stellen, nu hij niet woonde op het door hem opgegeven adres en ook niet duidelijk is geworden waar hij wel woonde.

Uitspraak

09/3880 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2009, 08/816 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 december 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F.W. Verweij, kantoorgenoot van mr. Van Doleweerd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.K. Klok, werkzaam bij de gemeente Nieuwegein.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 25 januari 1996 gescheiden van [B.] en ontving vanaf 1 juni 1997 van het College bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Na een melding dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres aan de [adres 1] te [naam gemeente], waar hij sinds 14 januari 2004 staat ingeschreven, heeft de Regionale Sociale Recherche Nieuwegein (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties (waaronder Eneco en Hydron) om inlichtingen verzocht, is getracht een bezoek aan de woning van appellant af te leggen, is appellant verhoord, is [B.] gehoord en hebben diverse buurtbewoners verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 21 maart 2006.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 18 juni 2007, gehandhaafd bij besluit van 22 januari 2008, de bijstand over de periode van 14 januari 2004 tot en met 9 mei 2006 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.283,93 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen, nu hij niet woonde op het door hem opgegeven adres en ook niet duidelijk is geworden waar hij wel woonde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is alleen in geding of appellant woonde op het door hem opgegeven adres [adres 1] te [naam gemeente]. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant daar gedurende de periode van 14 januari 2004 tot en met 9 mei 2006 niet feitelijk zijn hoofdverblijf had.

4.2. Appellant heeft op 20 maart 2006 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij vaak bij [B.] komt om zijn kinderen te bezoeken en daar dan ook wel blijft slapen, soms twee keer in de week en dan weer eens vier keer in een week. Appellant heeft verder verklaard dat hij, sinds op 10 september 2004 de stroomvoorziening in zijn woning is afgesloten, op allerlei verschillende plaatsen slaapt.

4.3. [B.] heeft op 16 maart 2006 verklaard dat appellant behoorlijk vaak in haar woning op bezoek komt om de kinderen te zien, weinig in zijn huis aan de [adres] is omdat hij geen water en geen stroom meer heeft en ook veel bij vrienden en kennissen verblijft. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de verklaring van [B.] niet aan het besluit ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat slechts sprake zou zijn van een samenvatting van haar verklaring. De Raad stelt vast dat de verklaring van [B.] van 20 maart 2006 in het daarvan op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de sociale recherche van dezelfde datum is opgenomen en is geplaatst tussen aanhalingstekens, terwijl er ook anderszins geen reden is om aan te nemen dat sprake zou zijn van parafrasering.

4.4. Vijf getuigen uit de omgeving van de woning aan de [adres 1] hebben in februari 2006 - kort gezegd - verklaard dat appellant, sinds hij ruim twee jaar geleden de woning kreeg, daar nooit heeft gewoond. De Raad stelt vast dat, anders dan appellant meent, de getuigen gedetailleerd en uit eigen wetenschap hebben verklaard. De Raad ziet voorts geen aanleiding om de verklaring van [naam getuige], die zij op 24 februari 2006 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd, buiten beschouwing te laten omdat zij deze verklaring later heeft ingetrokken. Hij verwijst in dit verband naar zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Dat [naam getuige] haar verklaring niet had ondertekend acht de Raad in de gegeven omstandigheden van ondergeschikt belang, voor zover de inhoud van de verklaring bevestiging vindt in vaststaande feiten, zoals het afsluiten van water, gas en licht, en in lijn is met de verklaringen van de overige buurtbewoners. De - overigens door [naam getuige] ook zo aangeduide - gissingen over waar appellant dan wel zou wonen dienen naar het oordeel van de Raad wel buiten beschouwing te blijven.

4.5. De Raad heeft verder nog betekenis toegekend aan het waterverbruik in de woning [adres 1] over de periode van 14 januari 2004 tot 27 januari 2006, dat met gemiddeld 5 m³ per jaar, uitgaande van een gemiddeld gebruik van 50 m³ per persoon per jaar, extreem laag is geweest. Over het energieverbruik tijdens de in geding zijnde periode heeft de Raad in het dossier geen eenduidige gegevens aangetroffen (zo is sprake van een geschat gebruik van elektriciteit en gas van respectievelijk 1561 kWh en 1143 m³ over de periode van 31 december 2003 tot 29 augustus 2005, een opgenomen gebruik van respectievelijk 558 kWh en 447 m³ over de periode van 14 januari 2004 tot 10 september 2004 en zijn er tegenstrijdige verklaringen over een mogelijke hervatting van de levering per 17 januari 2005 door een andere afnemer na de afsluiting op 10 september 2004), zodat hij dit buiten de beoordeling zal laten.

4.6. Aan de door appellant in geding gebrachte verklaringen van buurtbewoners kent de Raad niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] blijkt niet of zij zien op de hier te beoordelen periode, terwijl van [getuige 3] de achternaam niet bekend is en zij bovendien niet uit eigen wetenschap heeft verklaard. Van een verklaring gedateerd 27 maart 2006 - die overigens het niet aanwezig zijn van appellant in zijn woning veeleer onderschrijft - is niet duidelijk van wie deze afkomstig is. De door [getuige 4] en [getuige 5] afgelegde, meer gedetailleerde verklaring, die ziet op de periode van januari 2004 tot 5 december 2005, heeft de Raad in het licht van de overige beschikbare gegevens er niet van kunnen overtuigen dat appellant in de in geding zijnde periode feitelijk woonachtig was op het adres [adres 1].

4.7. Dat het College aan appellant in mei 2006 opnieuw algemene bijstand heeft toegekend kan aan het vorenstaande niet afdoen, reeds omdat dit is gebeurd na de periode die hier in geding is.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

NK

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?