10/5449 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 26 augustus 2010, 09/540 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H. Pijpelink, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pijpelink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit waarbij de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant met ingang van 28 maart 2009 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 28 mei 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het besluit van 28 mei 2009 op een zorgvuldig medisch onderzoek berust en dat er geen reden is aan de resultaten daarvan te twijfelen. Voor inschakeling van een medisch deskundige heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de belasting van de door het Uwv voor het besluit van 28 mei 2009 gebruikte functies binnen de belastbaarheid van appellant valt en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 28 maart 2009 terecht op 15 tot 25% is gesteld.
3.1. In hoger beroep heeft appellant als enige grond naar voren gebracht dat het medisch onderzoek waarop het besluit van 28 mei 2009 is gebaseerd onvoldoende zorgvuldig is geweest.
3.2. In een rapport van 6 december 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff geconcludeerd dat de beoordeling van de belastbaarheid van appellant zorgvuldig is geweest.
4. De Raad volgt appellant niet in zijn beroepsgrond zoals vermeld in 3.1. De rechtbank heeft deze ook reeds in beroep aangevoerde grond besproken en beoordeeld. De Raad kan zich geheel in deze beoordeling en ook in de opmerkingen van de bezwaarverzekeringsarts in haar hiervoor in 3.2 genoemd rapport vinden. Naar aanleiding van het betoog van appellant ter zitting van de Raad over de verzekeringsgeneeskundige protocollen depressieve stoornissen, angststoornissen en het chronisch vermoeidheidssyndroom, stelt de Raad voorop dat deze protocollen slechts zijn bedoeld als hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Daarnaast is het de Raad niet gebleken dat deze protocollen, indien al van toepassing op deze arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, onjuist zijn toegepast.
5.1. Uit overweging 4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van
I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2011.
(get.) J. Brand.
(get.) I.J. Penning.
IvR