11/5192 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2011, 11/334 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 7 november 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2012.
Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn bij brieven van 18 augustus 2008 en 30 maart 2009 ingediende aanvraag om ziekengeld per respectievelijk 1996 en 1994 in gevolge de Ziektewet (ZW) niet verder in behandeling wordt genomen omdat de verstrekte informatie en bescheiden onvoldoende zijn om zijn aanvraag te kunnen beoordelen.
1.2. Bij besluit van 12 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 30 december 2010, ongegrond verklaard. Hierbij is de grondslag aangepast in die zin dat op grond van de beschikbare medische informatie geen eerste ziektedag valt aan te wijzen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. De rechtbank deelt het standpunt van het Uwv dat in deze situatie de bewijslast op appellant rust en dat deze er niet in is geslaagd aan te tonen dat in de betrokken periode sprake is geweest van een eerste ziektedag.
3. Appellant heeft in hoger beroep zijn stellingen herhaald die erop neerkomen dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft gesteld dat de overgelegde medische informatie niets zegt over zijn situatie in 1994 en dat het Uwv nadere informatie had moeten inwinnen bij de huisarts dan wel zijn toenmalige behandelaars.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht en wordt niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen.
4.2. Appellant heeft zijn in 2008/2009 ingediende aanvraag om ziekengeld ruim na de door hem gestelde arbeidsongeschiktheid in 1994 ingediend. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 oktober 2007, LJN BB5901) brengt dit tijdsverloop mee dat onduidelijkheid over de medische situatie ten tijde in geding voor rekening en risico van appellant moet worden gelaten. In het licht van dit bewijsrechtelijke uitgangspunt heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in 1994 sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW. Daarvoor zijn in ieder geval geen aanknopingspunten te vinden in het in bezwaar overgelegde journaal van de huisarts, nu dit geen informatie bevat over 1994.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2012.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) D. Heeremans
KR