ECLI:NL:CRVB:2012:BY2901

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2901, Centrale Raad van Beroep, 08-11-2012, 11-2027 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 08-11-2012
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11-2027 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 4 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045 BWBR0005290 BWBR0005537 BWBR0006516

Samenvatting

Onvoorwaardelijk ontslag. Zeer ernstig plichtsverzuim. Verduisteren van executiegelden.

Uitspraak

11/2027 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2011, 10/3939 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (korpsbeheerder)

Datum uitspraak 8 november 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.M. Dragtenstein, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dragtenstein. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was sinds 2002 werkzaam bij de politieregio, laatstelijk als bedrijfsadministrateur bij de Dienst Controle Infrastructuur en Verkeer. Appellante had onder andere tot taak om ervoor te zorgen dat executiegelden (betaalde boetes) uit de zogenoemde afstortkluis van politiebureau [naam politiebureau] te [vestigingsplaats], na tellen en administreren, werden afgedragen aan de Centrale Kas van de Dienst Financiële Executieve Ondersteuning (DFEO), waar vandaan het geld op een tussenrekening van het bureau Regionale Incasso, Controle en Opsporing (RICO) werd gestort. Genoemd bureau diende dit geld vervolgens te storten op een rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), dat is belast met de inning van boetes.

1.2. In augustus 2007 zijn onregelmatigheden in de afhandeling van betaalde boetes aan het licht gekomen. Betaalde boetes bleken in sommige gevallen niet te zijn afgedragen aan de DFEO waardoor betrokkenen als wanbetaler te boek bleven staan en door het CJIB werden gemaand om hun boete (alsnog) te voldoen. Na interne controle bleek er een groot geldbedrag te missen. Op 23 augustus 2007 is namens het politiekorps aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking van een bedrag van € 57.386,22, gepleegd in de periode van augustus 2006 tot maart 2007. Op 21 januari 2008 is aanvullend aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking van een bedrag van € 5.263,01. Daarop is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, waarbij appellante als verdachte is aangemerkt. Appellante is op 1 oktober 2007 buiten functie gesteld en op 24 december 2007 geschorst.

1.3. Bij brief van 1 april 2009 heeft de officier van justitie appellante meegedeeld niet tot (verdere) vervolging over te gaan, omdat daarvoor geen wettig bewijs aanwezig werd geacht.

1.4. Naar aanleiding van de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek heeft de korpsbeheerder aan appellante op 14 juli 2009 het voornemen kenbaar gemaakt haar te ontslaan. Appellante heeft schriftelijk haar zienswijze op dit voornemen gegeven.

1.5. Bij besluit van 9 oktober 2009 heeft de korpsbeheerder appellante primair op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag met onmiddellijke ingang opgelegd. Subsidiair heeft de korpsbeheerder appellante met onmiddellijke ingang ontslag verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor haar functie als bedoeld in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. Aan het ontslag is ten grondslag gelegd dat het zeer aannemelijk is dat appellante een geldbedrag van ongeveer € 60.000,- heeft verduisterd en zich zo heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Volgens de korpsbeheerder heeft de verdwijning van de executiegelden plaatsgevonden tussen het moment dat de gelden in de afstortkluis waren gedeponeerd en het moment dat de gelden door appellante moesten worden afgedragen aan de Centrale Kas. Appellante heeft steeds bij het leegmaken van de afstortkluis getekend voor ontvangst en nooit gemeld dat er geld werd vermist Voorts is uit onderzoek naar de financiën van appellante en haar echtgenoot over de periode van 1 januari 2006 tot 7 oktober 2007 onder meer gebleken dat tegenover uitgaven van appellante tot een bedrag van € 31.477,50, geen traceerbare inkomsten stonden en zijn er tot grote bedragen contante stortingen op eigen rekening gedaan. De korpsbeheerder heeft in aanmerking genomen dat appellante een motief had voor het plegen van de verduistering, aangezien haar uitgavenpatroon - in het bijzonder de vele buitenlandse reizen die zij met haar gezin heeft gemaakt - haar financiële draagkracht (en die van haar echtgenoot) redelijkerwijs te boven ging. De korpsbeheerder heeft zich daarnaast nog op het standpunt gesteld dat appellante zich op 3 en 6 juli 2007 schuldig heeft gemaakt aan werkweigering, hetgeen de korpsbeheerder eveneens heeft aangemerkt als (ernstig) plichtsverzuim.

Het besluit van 9 oktober 2009 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 maart 2010 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 15 september 2011, LJN BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. De korpsbeheerder heeft zich dan ook terecht niet gebonden geacht aan het oordeel van de officier van justitie dat er strafrechtelijk bezien geen wettig bewijs is dat appellante zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering. De korpsbeheerder is, anders dan appelante heeft betoogd, bevoegd en verplicht zich zelfstandig een oordeel te vormen over de vraag of appellante zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

3.2. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat appellante zich heeft schuldig gemaakt aan het haar verweten plichtsverzuim inzake het verduisteren van executiegelden. Daartoe wordt in grote lijnen verwezen naar de (zeer) uitvoerige overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot deze conclusie is gekomen. Mede naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geldt nog het volgende.

3.3. Appellante was in elk geval feitelijk belast met de onder 1.1 omschreven taak. Aldus was zij verantwoordelijk voor - kort gezegd - het traject tussen het leeghalen van de afstortkluis en het aanbieden van de executiegelden aan de Centrale Kas. Zo luidt ook de eigen verklaring van appellante. De rechtbank heeft het terecht niet doorslaggevend geacht dat deze taak formeel niet tot het takenpakket van appellante behoorde en niet in haar functiebeschrijving was opgenomen. Nu appellante verantwoordelijkheid heeft verkregen voor de meergenoemde taak, was zij ook verplicht die verantwoordelijkheid waar te maken.

3.4. Voldoende vast staat dat de administratieve verantwoording van de executiegelden kloppend was tot en met het moment waarop die gelden in de afstortkluis waren gedeponeerd. Vanaf dat moment is een gedeelte van die gelden niet via de Centrale Kas afgestort op de tussenrekening van het bureau RICO. Voor het traject tussen het leeghalen van de afstortkluis en het aanbieden van de executiegelden aan de Centrale Kas was appellante verantwoordelijk.

3.5. Uit diverse getuigenverklaringen is naar voren gekomen dat appellante schromelijk is tekort geschoten in de uitvoering van die werkzaamheden. Zo heeft getuige M, die de werkzaamheden van appellante uit hoofde van de zogenoemde kluisprocedure in verband met appellantes afwezigheid in het voorjaar van 2007 heeft overgenomen, verklaard dat zij op

26 juni 2007 de afstortkluis voor het eerst opende en dat het geld er toen uitpuilde. M is erop geattendeerd dat er mogelijk ook nog boetegeld lag in de zogenoemde grote kluis die op de kamer van appellante stond. Op 13 juli 2007 heeft M deze kluis geopend; M zag toen dat het er een ‘grote puinhoop’ was. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de korpsbeheerder in dit verband gesteld dat appellante soms - in afwijking van de kluisprocedure en naar zeggen van appellante wegens tijdgebrek - gebruik maakte van de grote kluis op haar kamer. Appellante heeft dit bevestigd. Getuige W.D heeft voorts verklaard dat zij er meermalen melding van heeft gemaakt dat de afstortkluis niet regelmatig werd geleegd. Zij heeft daarnaast verklaard dat zij naar aanleiding van een klacht van het CJIB heeft ontdekt dat betaalde boetes nadat zij in de afstortkluis waren gedeponeerd, niet waren verwerkt. W.D heeft appellante daarop aangesproken en haar gevraagd om de afstortkluis te legen, waarop appellante heeft gereageerd door te zeggen dat zij het druk had en daarom geen tijd had om dit te doen. Als W.D bleef aandringen kreeg zij uiteindelijk toch een ‘plukje geld’ van appellante. Dit was echter niet voldoende om de achterstand weg te werken. W.D heeft verklaard dat zij zo het idee kreeg dat appellante mogelijk met geld aan het ‘schuiven’ was. Zij ontving namelijk pas in mei 2007 geld van appellante van stortingen van september en oktober 2006. Bij W.D ontstond daarom het vermoeden dat appellante geld had weggenomen, maar probeerde dit aan het zicht te onttrekken door dit met geld van andere inkomsten ‘af te dekken’. Getuige H heeft verder verklaard dat zij op enig moment van een verbalisant een geïnd bedrag ter grootte van € 1.959,44 in contanten heeft ontvangen en daarvan een ‘staat van ontvangen gelden’ heeft opgemaakt. Na het opmaken van die staat is zij meteen naar appellante gegaan en heeft zij het geld aan appellante overhandigd. Appellante heeft het geld volgens H geteld en haar paraaf gezet op de staat van ontvangen gelden. W.D heeft in aansluiting hierop verklaard dat zij bij een controle heeft geconstateerd dat het bedrag van

€ 1.959,44 dat H aan appellante had afgegeven, niet was ontvangen op de tussenrekening van het bureau RICO en dat uit een door haar persoonlijk ingesteld onderzoek is gebleken dat appellante de laatste persoon is geweest die de beschikking heeft gehad over genoemd bedrag. W.D constateerde namelijk dat dit bedrag nadien op geen enkele verzamelstaat meer was terug te vinden. Gelet op dit alles kan de stelling van appellante dat zij niet in de positie zou hebben verkeerd om executiegelden te verduisteren niet worden onderschreven.

3.6. De rechtbank is op grond van de in rechtsoverweging 2.11 van de aangevallen uitspraak weergegeven gegevens tot de conclusie gekomen dat de ontvangen executiegelden niet in chronologische volgorde zijn aangeboden aan de Centrale Kas en dat daarin geen systeem lijkt te zitten. De rechtbank heeft overwogen dat dit aansluit bij de verklaring van appellante dat zij vanwege drukte niet toekwam aan het legen van de afstortkluis en dat zij er daarom zo nu en dan een willekeurig ‘plukje geld’ uitnam. Uit genoemde gegevens blijkt dat sprake is van vertraging in het aanbieden van de gelden aan de Centrale Kas, welke vertraging niet door de Centrale Kas is veroorzaakt, aldus de rechtbank. Appellante heeft de juistheid van de vorenbedoelde gegevens - setjes van staten van ontvangen gelden en de daarbij behorende verzamelstaten en giroafschriften - niet (gemotiveerd) bestreden. Daarvan uitgaande is inderdaad aannemelijk dat latere bij de afstortkluis gedeponeerde gelden zijn gebruikt om daarmee afstortingen bij de Centrale Kas te doen ter afdekking van reeds eerder in de afstortkluis gedeponeerde, ontbrekende, gelden en dat appellante wel degelijk met geld heeft geschoven. Het andersluidende betoog van appellante moet worden verworpen.

3.7.1. Dat de korpsbeheerder niet mede gebruik heeft mogen maken van de resultaten van het door hem ingestelde financiële onderzoek wordt niet onderschreven. Van strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is niet gebleken. Anders dan appellante meent, betreft het hier ook niet een aangelegenheid die uitsluitend de privésfeer van appellante raakt.

3.7.2. Appellante heeft geen duidelijkheid verschaft over de uitkomsten van het financiële onderzoek, te weten de onverklaarbare herkomst van het vermogen van appellante, de contante stortingen op eigen rekening en de contante betalingen aan haar echtgenoot. Datzelfde heeft te gelden ten aanzien van het uitgavenpatroon van appellante ten tijde hier van belang. Appellante heeft uitgaven gedaan - waaronder vakanties met het gezin naar Portugal, Italië, de Verenigde Staten en tot driemaal toe Suriname - die maar zeer ten dele giraal zijn terug te vinden. Appellante heeft ook hiervoor geen verklaring gegeven. Enkele onverklaarbare stortingen op haar privérekening zijn gedaan zeer kort nadat zij bij de Centrale Kas een storting had verricht van ontvangen executiegelden. Terecht is ernstige twijfel gerezen aan de integriteit en betrouwbaarheid van appellante die zij geenszins heeft kunnen wegnemen.

3.8. Voor zover appellante heeft betoogd dat anderen, in het bijzonder haar collega L, zich schuldig hebben gemaakt aan de verduistering van de executiegelden, wordt dit betoog verworpen. Het onderzoek heeft geen enkele aanwijzing in die richting opgeleverd. Ook de financiële situatie van L is nauwkeurig onderzocht en dit heeft niet geleid tot enig vermoeden van betrokkenheid van L bij de ontbrekende executiegelden. Nu appellante voor haar stelling geen begin van bewijs heeft aangedragen, wordt daaraan worden voorbijgegaan.

3.9. Aannemelijk is wel dat, zoals appellante heeft benadrukt, de kluisprocedure niet sluitend was en dat de korpsbeheerder is tekortgeschoten in de controle op de juiste naleving van die procedure. Dit neemt echter niet weg dat appellante haar eigen verantwoordelijkheid jegens haar werkgever had. Een en ander vormde geen vrijbrief om de zwakke plekken van het systeem te misbruiken op een manier zoals appellante dit heeft gedaan.

3.10. Het hiervoor vastgestelde plichtsverzuim inzake het verduisteren van executiegelden moet worden gekwalificeerd als zeer ernstig plichtsverzuim. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is, gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim niet onevenredig. De korpsbeheerder moet bij het beheer van executiegelden kunnen vertrouwen op de integriteit van de daarmee belaste werknemers. Appellante heeft dat vertrouwen ernstig beschaamd en ook afbreuk gedaan aan het beeld van een betrouwbaar en integer politiekorps waarop het publiek mag rekenen. Dit plichtsverzuim kan het ontslag zelfstandig dragen. Beoordeling van het overige door de korpsbeheerder gestelde plichtsverzuim van appellante kan daarom achterwege blijven.

3.11. Dit geldt ook voor het ontslag op de subsidiaire grond.

3.12. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.G. Treffers en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) S.K. Dekker

HD

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl TAR 2013/48 Module Ambtenarenrecht 2013/1489
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?