12/2871 WSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 april 2012, 11/1991 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 30 november 2012
Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen
Griffier: R.L. Rijnen
Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door [R.], en
drs. P.M.S. Slagter als vertegenwoordiger van de Minister.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1.1. Met het besluit van 12 maart 2011 (Bericht Studiefinanciering 2010, nr. 5) heeft de Minister de studiefinanciering over 2010 ten nadele van appellante herzien, omdat niet is gebleken dat zij in dat jaar uitwonende was.
1.2. Bij (bestreden) besluit van 17 mei 2011 heeft de Minister, beslissend op het bezwaar van appellante, zijn besluit van 12 maart 2011 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat in de in geding zijnde periode geen verschil bestond tussen het GBA-adres van appellante en dat van haar vader, zodat - gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad - artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 geen ruimte biedt om appellante anders aan te merken dan als thuiswonende. Voorts heeft de rechtbank geen ruimte aanwezig geacht voor het toekennen van betekenis aan de feitelijke woonsituatie van appellante, ondanks dat er sprake is van twee losstaande appartementen met elk een eigen ingang. In dit verband heeft de rechtbank gewezen op de uitspraken van de Raad van 25 juli 2008, LJN BD9728, en 1 mei 2009, LJN BI3711. Dat de gemeente [C.] bij brief van 30 maart 2012 aan appellante heeft medegedeeld dat het pand [adres 1] gesplitst zal worden in [adres 2] en [adres 3] geldt voor de toekomst en derhalve niet voor de in geding zijnde periode. Ten slotte heeft de rechtbank erop gewezen dat artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 mede tot doel heeft om op eenvoudige wijze te kunnen vaststellen of een studerende thuiswonend is. Dit maakt dat voor nuances als thans in geding geen plaats is.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.1. De gronden die appellante in hoger heeft aangevoerd zijn in essentie gelijk aan de gronden die zij reeds in de beroepsfase bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Tegen de herziening van de studiefinanciering zijn geen afzonderlijke gronden gericht noch is verzocht om toepassing van de hardheidsclausule.
4.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante niet als uitwonende in de zin van de Wsf 2000 kan worden beschouwd. De door de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven onder 2, zijn juist.
4.3. Het feit dat appellantes vader zich op een ander adres had laten inschrijven indien de in geding zijnde besluitvorming van de Minister te voorzien was geweest, maakt het voorgaande niet anders.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.L. Rijnen (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen