OVERWEGINGEN
1.1. Het college heeft bij besluit van 15 oktober 2008 aan appellante twee uur per vier weken huishoudelijke hulp toegekend. Appelante heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend en heeft op 4 december 2008 de hoorzitting bijgewoond.
1.2. Bij brief van 10 maart 2009 heeft Martens zich gesteld als gemachtigde. In de brief heeft hij het college erop gewezen dat de beslistermijn intussen verstreken was en heeft hij het college verzocht een besluit te nemen op het door appellante gemaakte bezwaar. Hij heeft voorts verzocht om vergoeding van de proceskosten en wettelijke rente.
1.3. Bij besluit van 17 maart 2009 is het bezwaar ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 2 augustus 2010 ongegrond verklaard. De Raad heeft op 2 augustus 2011 in zijn uitspraak met nummer 10/5096 WMO de aangevallen uitspraak en het besluit van 17 maart 2009 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In die uitspraak heeft de Raad voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep een vergoeding van € 1.518,-- toegekend.
1.4. Het college heeft op 27 oktober 2011 een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft het college aan appellante twee uur per week huishoudelijke hulp toegekend.
2.1. Bij brief van 2 december 2011 heeft Martens, namens appellante, gesteld dat hij in zijn brief van 10 maart 2009 het standpunt van appellante in bezwaar heeft onderbouwd en heeft hij het college verzocht om over de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar en de wettelijke rente alsnog een besluit te nemen.
2.2. Bij besluit van 31 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het verzoek afgewezen. Het college stelt zich op het standpunt dat de brief van 10 maart 2009 niet is aan te merken als een proceshandeling in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Vergoeding van wettelijke rente kan volgens het college niet aan de orde zijn omdat het om een voorziening in natura gaat.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard overwegende dat de brief van 10 maart 2009 niet is aan te merken als een proceshandeling. Alleen een bezwaarschrift en verschijnen ter zitting worden in het Bpb genoemd als voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Raad van 17 februari 2011, LJN BP5041.
De Raad overweegt het volgende.
Nu het college het primaire besluit van 15 oktober 2008 heeft herzien en aan het bezwaar van appellante tegemoet is gekomen, komen de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand in beginsel voor vergoeding in aanmerking.
In zijn brief van 10 maart 2009 heeft Martens zich gesteld als gemachtigde en heeft hij het college gewezen op de (gevolgen van de) overschrijding van de beslistermijn. Daarmee heeft Martens de gronden van bezwaar aangevuld met een zelfstandige bezwaargrond, namelijk de grond dat het college de beslissingstermijn heeft overschreden. De brief van
10 maart 2009 is daarom aan te merken als een voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling in de zin van artikel 1 van het Bpb. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het college veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar.
Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 12 april 2011, LJN BQ2068) wordt bij het op goede gronden instellen van beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar de wegingsfactor zeer licht (0,25 punt) toegepast. Dit geldt ook voor het niet tijdig beslissen op bezwaar. Dit betekent dat het college € 118,-- aan appellante moet vergoeden voor in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand.
Voor zover appellante heeft willen bewerkstelligen dat aan haar wettelijke rente over de vergoeding van proceskosten wordt betaald verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 7 juli 2004, LJN AQ5516. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat ter zake van een vergoeding van proceskosten in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het daarop gebaseerde Bpb regels zijn gesteld. Het gaat daarbij om een exclusieve en limitatieve regeling. De wettelijke rente over proceskostenvergoedingen komt niet voor in de opsomming van artikel 1 van het Bpb en komt daarom ook niet op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking. Gegeven het exclusieve karakter van de regeling van artikel 8:75 van de Awb is in dit verband dan evenmin een rol weggelegd voor artikel 8:73 van de Awb.
Wel dient het college, omdat het hoger beroep slaagt, de in beroep en hoger beroep tegen het bestreden besluit van 31 januari 2012 gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden aan appellante. Deze kosten worden begroot op € 472,-- in beroep en € 472,-- in hoger beroep.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) S.K. Dekker