ECLI:NL:CRVB:2013:1156

ECLI:NL:CRVB:2013:1156, Centrale Raad van Beroep, 25-07-2013, 11-6448 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 25-07-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11-6448 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006169 BWBR0015703

Samenvatting

Tegen aangevallen uitspraak 1 slagen de gronden van appellant, dat de woning op Ibiza geen overwaarde zal opleveren en dat hij daarom bijstand om niet in plaats van leenbijstand zou moeten ontvangen en dat hij gedwongen is om zijn huis in Amsterdam te verkopen, niet. Deze uitspraak wordt bevestigd Aangevallen uitspraak 2 wordt vernietigd omdat het college ter zitting te kennen heeft gegeven de uitsluiting van appellant van het recht op bijstand niet langer te handhaven. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant door het bestreden besluit 1 schade heeft geleden.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is in november 2007 van [woonplaats 2] naar Nederland gekomen en woont sindsdien, na een ingrijpende operatie, in [woonplaats 1]. Het college heeft appellant met ingang van 20 mei 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verleend, in de vorm van een geldlening omdat appellant zowel op [woonplaats 2] als in[woonplaats 1] een woning in eigendom had.

Na verkoop van de woning in [woonplaats 1] is de bijstand van appellant bij besluit van het college van 13 september 2010 per 20 mei 2008 ingetrokken op de grond dat appellant door die verkoop (op 1 december 2009) over een vermogen kon beschikken van € 45.981,90.

Bij besluit op bezwaar van 8 december 2010 heeft het college het besluit van

13 september 2010 herzien en de bijstand met ingang van 4 december 2009 ingetrokken op de grond dat appellant pas op dat moment door de overdracht van het huis over een vermogen boven het vrij te laten vermogen kon beschikken.

Bij besluit van 28 december 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het besluit van

8 december 2010 in zoverre herzien, dat de intrekking van de bijstand in verband met het in aanmerking te nemen vermogen is beperkt tot de periode van 4 december 2009 tot en met

13 augustus 2010. Voorts heeft het college vastgesteld dat appellant over de periode van

25 september 2010 tot en met 11 oktober 2010 geen recht op bijstand had omdat hij in het kalenderjaar 2010 langer dan vier weken in Spanje verbleef.

Na een nieuwe aanvraag heeft het college bij besluit van 2 februari 2011 appellant met ingang van 14 augustus 2010 bijstand toegekend, wederom in de vorm van een geldlening op de grond dat hij naar verwachting door de verkoop van het huis op [woonplaats 2] binnenkort over voldoende middelen zou kunnen beschikken. Hieraan heeft het college de voorwaarde verbonden dat de woning binnen 6 maanden na dagtekening van het besluit moet worden verkocht.

Bij besluit van 19 april 2011 (bestreden besluit 2), voor zover nog in geding, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2011 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen respectievelijk het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd op de hierna te bespreken gronden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 2 (12/2353 WWB)

Het college heeft ter zitting te kennen gegeven de uitsluiting van appellant van het recht op bijstand over de periode van 25 september 2010 tot en met 11 oktober 2010 niet langer te handhaven. De desbetreffende beroepsgrond van appellant behoeft dus geen bespreking.

De beroepsgrond dat appellant gedwongen is zijn huis in Amsterdam te verkopen slaagt niet. Het college heeft in het verweerschrift van 7 april 2011 bij de rechtbank onweersproken gesteld dat, zoals blijkt uit een rapportage van 9 januari 2009, een medewerker van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam op 9 januari 2009 aan appellant kenbaar heeft gemaakt dat verkoop van de woning in [woonplaats 1] geen vereiste was voor bijstandsverlening.

De beroepsgrond dat ten onrechte geen toekenning van bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten in verband met de door appellant na de verkoop van zijn huis betrokken huurwoning zou hebben plaatsgevonden valt buiten de omvang van dit geding. Overigens blijkt uit de gedingstukken dat appellant in november 2009 van de Dienst Zorg en Samenleven van de gemeente Amsterdam wel een vergoeding van € 3.057,- in verband met zijn verhuiskosten heeft gekregen ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de periode van

25 september 2010 tot en met 11 oktober 2010 in stand is gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit in zoverre vernietigen. De aangevallen uitspraak 2 komt voor het overige voor bevestiging in aanmerking. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant door het bestreden besluit 1 schade heeft geleden.

Aangevallen uitspraak 1 (11/6448 WWB)

Appellant heeft de in 4.2 naar voren gebrachte beroepsgrond ook in dit geding naar voren gebracht. Deze kan, gelet op wat onder 4.2 is geoordeeld niet slagen.

Appellant heeft als voornaamste grond in hoger beroep naar voren gebracht dat de woning op [woonplaats 2] bij verkoop geen overwaarde zal opleveren en dat hij daarom bijstand om niet in plaats van leenbijstand zou moeten ontvangen.

Artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat ten tijde in geding, gezien de voorgenomen verkoop van de woning op [woonplaats 2] en de op dat moment verwachte overwaarde van die woning, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat appellant op korte termijn over voldoende middelen zou beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Ook de hieraan door het college verbonden voorwaarde dat de woning binnen zes maanden na dagtekening van het besluit verkocht moest worden, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden niet onredelijk geacht.

Appellant heeft nog naar voren gebracht dat door de leenbijstand een steeds grotere schuld wordt gecreëerd en dat de hiermee gepaard gaande onzekerheid over hoe lang de leenbijstand blijft doorlopen hem zwaar valt. De Raad overweegt hierover het volgende. De hiervoor vermelde periode van zes maanden is inmiddels ruimschoots verstreken. Ter zitting is van de kant van het college opgemerkt dat, zolang appellant zich voldoende inspant om de woning op [woonplaats 2] te verkopen, niet zal worden overgegaan tot beëindiging van de bijstand en dat, als er ondanks de inspanningen van appellant een te lage verkoopopbrengst wordt gerealiseerd, geen sprake zal zijn van terugvordering. Dan wordt de bijstand omgezet in bijstand om niet. Daarmee heeft het college beoogd bij appellant onzekerheid weg te nemen.

Aan de andere kant moet, zoals ook ter zitting is besproken, door het college op een gegeven moment wel worden beoordeeld of nog langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het staat appellant overigens vrij om het college te verzoeken de leenbijstand om te zetten in bijstand om niet.

Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen, nu aangevallen uitspraak 1 in stand blijft.

In zaak 11/6448 WWB, betreffende aangevallen uitspraak 1, bestaat voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding. In zaak 12/2353 WWB, betreffende aangevallen uitspraak 2, zal het college worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.888,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Zaak 11/6448 WWB

Zaak 12/2353 WWB

11 oktober 2010 is ingetrokken;

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.H. Bel en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?