ECLI:NL:CRVB:2013:1203

ECLI:NL:CRVB:2013:1203, Centrale Raad van Beroep, 30-07-2013, 11-3969 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 30-07-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11-3969 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002170 BWBR0005537 BWBR0015703 BWBR0019057

Samenvatting

Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van het college dat sprake was van wederzijdse zorg. Geen sprake van financiële verstrengeling van enige betekenis. Er bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat appellanten gedurende de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 14 oktober 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

Naar aanleiding van gerezen onduidelijkheid over de woon- en leefsituatie van appellant heeft het Team Risk Sociale Zaken en Werkgelegenheid nader onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat appellant stond ingeschreven op hetzelfde adres als appellante, [adres 1] te [woonplaats], en dat op internet melding werd gemaakt van appellant als de vriend van appellante. Op basis van deze bevindingen heeft een toezichthouder van het Team Handhaving nader onderzoek ingesteld. In het kader daarvan heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn waarnemingen verricht bij de woning van appellanten, zijn getuigen gehoord en heeft op 25 januari 2010 een huisbezoek plaatsgevonden in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats]. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 16 februari 2010.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

4 maart 2010 de bijstand van appellant met ingang van 9 mei 2008 in te trekken en de over de periode van 9 mei 2008 tot en met 31 januari 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 22.877,09 van appellant terug te vorderen. Het college heeft de kosten van bijstand mede teruggevorderd van appellante. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met appellante zonder daarvan melding te maken aan het college.

Bij besluit van 7 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 4 maart 2010 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellant een kamer huurt bij appellante en dat sprake is van een commerciële huurrelatie. Wederzijdse zorg ontbreekt volledig, zodat geen sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Niet in geschil is dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van het college dat gedurende de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg. Uit de onderzoeksgegevens komt niet naar voren dat bij appellanten sprake was van financiële verstrengeling van enige betekenis. Het feit dat de zorgtoeslag van appellant ten tijde in geding geruime tijd op de bankrekening van appellante werd overgemaakt, is op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van financiële verstrengeling. Daarbij is van belang dat appellant tijdelijk gebruik heeft gemaakt van de bankrekening van appellante, omdat hij als gevolg van zijn detentieverleden en tijdelijke dakloosheid niet over een eigen bankrekening kon beschikken. Ook de bijstand werd daarom per kas uitbetaald. Hieraan doet niet af dat appellant, nadat hij zelf alsnog een eigen bankrekening kon openen, de zorgtoeslag niet onmiddellijk naar die bankrekening heeft laten overmaken, waardoor de bestaande situatie enige maanden langer dan noodzakelijk heeft voortgeduurd. Uit de onderzoeksgegevens en de door appellanten afgelegde verklaringen kan voorts worden afgeleid dat appellante de zorg voor appellant aan zich heeft getrokken onder meer door het bieden van onderdak. Dat daaraan een zakelijke verhuurder/huurderrelatie ten grondslag lag, is niet aannemelijk gemaakt. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt anderzijds niet dat appellant op zijn beurt zorg van enige omvang en gewicht verleende aan appellante. Uit de door beiden afgelegde verklaringen komt naar voren dat appellanten niet gezamenlijk boodschappen deden, maar dat appellant wel af en toe in de woning voor appellante boodschappen de trap opdroeg. In verband met medicijngebruik van appellante bracht appellant haar wel eens met haar auto naar een afspraak. Een en ander is echter onvoldoende voor de conclusie dat appellant ook daadwerkelijk en wezenlijk bijdroeg in de zorg voor appellante. Van wederzijdse zorg in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB kan onder die omstandigheden dan ook niet worden gesproken.

Uit 4.5 volgt dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat appellanten gedurende de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In dit geval bestaat geen ruimte voor het doen van een tussenuitspraak. Een opdracht aan het college op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. Nu het college ter zitting niet heeft uitgesloten dat nog mogelijkheden bestaan om de feitelijke situatie van appellanten ten tijde hier in geding te onderzoeken, wordt het college opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellanten tegen het bestreden besluit met inachtneming van deze uitspraak.

Ten slotte bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.888,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J.M. Heijs en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?