OVERWEGINGEN
Appellante heeft bij brief van 12 december 2007 verzocht om vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,- vanwege een in haar personeelsdossier aangetroffen
e-mailbericht van 9 december 2005. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft de staatssecretaris hierop afwijzend beslist. Tijdens de bezwaarprocedure is de schadeclaim uitgebreid naar immateriële en materiële schade tot een bedrag van € 47.500,-. Bij beslissing op bezwaar van 19 december 2011 heeft de staatssecretaris de afwijzing van aansprakelijkheid voor de gestelde immateriële schade gehandhaafd en aansprakelijkheid voor materiële schade afgewezen (bestreden besluit).
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Raad oordeelt als volgt.
In geschil is de gehandhaafde weigering van de staatssecretaris om aan appellante een schadevergoeding te verstrekken in verband met door haar geleden schade tijdens haar dienstverband bij de Belastingdienst/Douane Rijnmond/kantoor Rotterdam. Appellante stelt in hoofdzaak dat de staatssecretaris de zorgplicht heeft geschonden omdat zij tijdens haar ziekteperiode onder druk is gezet om aan het werk te gaan, dat daarvoor niet de bijbehorende faciliteiten zijn geleverd en dat er op een onheuse manier met haar is omgegaan. Appellante stelt dat er in de periode 2005-2007 sprake is geweest van treitergedrag op de werkvloer.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (CRvB 23 maart 2006, LJN AX1651), strekt de zorgplicht van de werkgever zich mede uit tot het voorkomen van werkomstandigheden die psychisch ziekmakend zijn. Dit laat onverlet dat een oorzakelijk verband moet bestaan tussen het werk of de werkomstandigheden en de psychische schade. De in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de schade zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd.
Wanneer de gestelde schade in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. Pas als die vraag bevestigend wordt beantwoord komt de vraag aan de orde of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het werk of die werkomstandigheden en de psychische schade.
Naar aanleiding van het onder 1 genoemde verzoek van appellante van 12 december 2007 is van de zijde van de werkgever bij brief van 31 januari 2008 spijt betuigd voor de in de desbetreffende e-mail van 9 december 2005 gedane uitingen door een medewerker van de eenheid Belastingdienst/Oost Brabant en zijn daarvoor excuses aangeboden. Bij het besluit van 16 mei 2008 is appellante ook aangeboden om de kwestie op te lossen in een gesprek, desgewenst onder begeleiding van een mediator. Hiervan heeft appellante geen gebruik gemaakt. De Raad ziet hierin evenmin als de rechtbank factoren als bedoeld onder 3.2.1 en 3.2.2 Ditzelfde geldt voor een door appellante gehoorde negatieve opmerking die is gemaakt door een medewerker van de salarisadministratie na een telefoongesprek met appellante in oktober 2005.
Ten aanzien van hetgeen in bezwaar door en namens appellante naar voren is gebracht met betrekking tot wantrouwen over haar ziekte en de ongerechtvaardigde druk die op haar zou zijn uitgeoefend om te re-integreren, is door de staatssecretaris overwogen dat de gevolgde werkwijze legitiem is en voortkomt uit de Wet verbetering poortwachter. Aan appellante is een andere bedrijfsarts toegewezen, nadat zij een klacht had ingediend over de begeleiding door een bedrijfsarts en gesteld had dat het vertrouwen in deze arts ontbrak. Hierbij heeft de regiomanager van de desbetreffende arbo-dienst erkend dat een aantal zaken onhandig zijn verlopen. De Raad ziet hierin echter onvoldoende aanknopingspunten voor de door appellante gestelde ongeoorloofde of onfatsoenlijke behandeling bij de begeleiding van haar ziekte en de re-integratiepogingen die zijn ondernomen.
Voor het door de psychiater Jesserun, die appellante in 2010 heeft behandeld, in zijn verklaring van 23 september 2010 genoemde pest- en treitergedrag door de werkgever ontbreekt iedere objectieve basis. De werkgever heeft tijdens de bezwaarprocedure getracht nader inzicht te krijgen in de gestelde in het werk gelegen oorzaken van de psychische klachten van appellante, door in overleg met appellante een psychiatrisch onderzoek te laten doen. Appellante heeft na het uitbrengen van het rapport over dat onderzoek gebruik gemaakt van haar blokkeringsrecht, zodat ook dat onderzoek niet tot nadere onderbouwing in dit opzicht heeft geleid. Dat verder is getracht om de samenwerking tussen appellante en haar kamergenote te normaliseren, voordat aan het verzoek van appellante tot toewijzing van een andere werkplek is tegemoetgekomen, kan niet als pestgedrag gekwalificeerd worden.
Ook overigens is in hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat de staatssecretaris ten aanzien van appellante als werkgever is tekortgeschoten in zijn zorgplicht en dat sprake is geweest van factoren als onder 3.2.1 en 3.2.2 bedoeld. Aan een oordeel over het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en de schending van de zorgplicht komt de Raad dus niet toe.
Voor de gestelde materiële schade ontbreekt iedere onderbouwing, zodat ook de afwijzing door de staatssecretaris op dat onderdeel in rechte stand houdt.
Gezien hetgeen onder 3.1 tot met 3.7 is overwogen, treft het hoger beroep geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en C.H. Bangma en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2013.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) M. Sahin