ECLI:NL:CRVB:2013:1254

ECLI:NL:CRVB:2013:1254, Centrale Raad van Beroep, 01-08-2013, 11-2112 MAW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 01-08-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11-2112 MAW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of de commandant in navolging van het advies van de selectiecommissie heeft kunnen komen tot het oordeel dat appellant niet geschikt is voor de geambieerde functie. De commandant heeft in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen, hij heeft voldoende inzicht geboden in de redenen waarom appellant niet geschikt is geacht voor het vervullen van de geambieerde functie.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 1 november 2006 de functie toegewezen van medewerker falsificaten bij de brigade Recherche en Informatie van het District Noord-Oost van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Aan deze functie is de rang van wachtmeester der eerste klasse verbonden.

1.2. De KMar heeft met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van (thans) het Ministerie van Veiligheid en Justitie een convenant gesloten. Dit convenant bevat de afspraak dat bepaalde functies binnen de DT&V aan medewerkers van de KMar kunnen worden toegewezen. Een van deze functies is de functie van medewerker administratieve ondersteuning bij de DT&V.

1.3. Appellant heeft gesolliciteerd naar de functie van medewerker administratieve ondersteuning bij de DT&V (geambieerde functie). Aan deze functie is de rang van opperwachtmeester verbonden. Bij besluit van 18 maart 2010 is appellant afgewezen voor deze functie. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant te zwaar is opgeleid voor de functie en dat mede daardoor twijfels bestaan of dit op termijn niet de motivatie van appellant zal aantasten. Daarnaast is overwogen dat appellant minder past in de huidige samenstelling van het team. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluiten van 6 mei, 28 mei en 7 juni 2010 zijn drie herhaalde sollicitaties van appellant naar de geambieerde functie afgewezen. Daarbij is verwezen naar de aan het besluit van 18 maart 2010 ten grondslag gelegde motivering. Ook tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 1 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft de commandant de bezwaren tegen de besluiten van 18 maart, 6 mei, 28 mei en 7 juni 2010 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat niet is gebleken dat de selectiecommissie niet in redelijkheid het standpunt heeft mogen innemen dat zij appellant, ondanks diens beschikbaarheid en bodemgeschiktheid, niet de juiste kandidaat voor de geambieerde functie achtte. Voldoende inzichtelijk is gemaakt waarom appellant niet voldoende geschikt is geacht voor het vervullen van de geambieerde functie.

Het hoger beroep strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het (onredelijke) oordeel van de vacaturehoudende eenheid bij DT&V.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of de commandant in navolging van het advies van de selectiecommissie heeft kunnen komen tot het oordeel dat appellant niet geschikt is voor de geambieerde functie.

Het al dan niet toewijzen van een functie berust op een aan de commandant toekomende discretionaire bevoegdheid. Dit brengt met zich dat de toetsing door de rechter van de gebruikmaking van die bevoegdheid terughoudend moet zijn (CRvB 25 juni 2009, LJN BJ2029 en CRvB 24 november 2011, LJN BU7006).

Gegeven dit toetsingskader onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de commandant zwaar gewicht heeft mogen toekennen aan het - gemotiveerde - standpunt van de ontvangende vacaturehoudende eenheid, zoals neergelegd in het negatieve advies van de sollicitatiecommissie van de DT&V, over de geschiktheid van appellant voor de geambieerde functie.

Appellant heeft vanuit de functie van medewerker falsificaten gesolliciteerd naar de in rang hoger gewaardeerde functie van medewerker administratieve ondersteuning bij de DT&V. In zoverre wekt het standpunt van de commandant dat appellant voor de geambieerde functie te zwaar zou zijn opgeleid enige bevreemding. Daar staat tegenover dat die functie voor appellant, mede gezien zijn specialistische kennis en werkervaring, inhoudelijk bepaald geen uitdaging lijkt te bieden. Appellant heeft dit ter zitting van de Raad desgevraagd ook bevestigd. Hij heeft aangegeven dat zijn reden om naar de geambieerde functie te solliciteren enkel was dat deze hem uitzicht bood op de hogere rang van opperwachtmeester. Een en ander heeft bij de selectiecommissie kennelijk geleid tot grote twijfel of appellant wel beschikt over de juiste motivatie voor de geambieerde functie. De Raad kan tegen deze achtergrond het afwijzende standpunt van de selectiecommissie niet voor onjuist houden.

Ook overigens heeft de commandant voldoende inzicht geboden in de redenen waarom appellant niet geschikt is geacht voor het vervullen van de geambieerde functie. De omstandigheid dat blijkbaar sprake is van een zekere spanning tussen het niveau van de bij DT&V te verrichten werkzaamheden en de door de KMar aan de functie verbonden rang van opperwachtmeester, kan niet met zich brengen dat de commandant had moeten voorbijgaan aan de duidelijke aanwijzingen dat appellant in de geambieerde functie niet de juiste man op de juiste plaats zou zijn.

De commandant heeft dan ook in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Gelet op dit oordeel is er geen ruimte voor de door appellant gevraagde veroordeling van de commandant tot vergoeding van schade. Het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker

ew

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?