OVERWEGINGEN
Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Awb en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.
Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraken van 13 december 2012, LJN BY6052, en 21 maart 2013, LJN BZ5135 (tussenuitspraken). Hier volstaat de Raad met het volgende.
Appellanten 1 tot en met 18, alsmede wijlen [betrokkenen] (betrokkenen) waren als arrestantenbewaarder/complexbeveiliger werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting [plaats],[locatie]. Bij brief van 10 juni 2009 hebben betrokkenen de minister verzocht een aantal in de brief nader omschreven toezeggingen na te komen. Bij besluit van 16 juni 2009 zijn deze verzoeken afgewezen. Tegen het besluit van 16 juni 2009 hebben betrokkenen gezamenlijk bezwaar gemaakt. De minister heeft dit bezwaar bij besluit van 15 juni 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In de tussenuitspraken is geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat sprake is van een stellig geformuleerde toezegging dat iedereen, dus ook het zittend personeel, opnieuw zou worden ingeschaald en dat ook dit personeel in aanmerking kwam voor (twee) extra periodieken, althans ophoging van het salaris. Dit rechtvaardigt de conclusie dat van de kant van de minister aldus uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij betrokkenen gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt, zodat de minister hun beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen.
De minister is bij de tussenuitspraken met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De minister diende nader te bezien welke consequenties voor elk van betrokkenen moeten worden verbonden aan hetgeen de Raad in zijn tussenuitspraken heeft overwogen.
In het ten aanzien van appellanten ([naam] uitgezonderd) genomen besluit van 31 januari 2013 (besluit 1) heeft de minister deze appellanten een compensatie toegekend ter grootte van één bruto maandsalaris. De minister heeft daartoe overwogen dat hij zich schaart achter de onder 1.4 vermelde conclusie van de Raad; de betrokken medewerkers dienen dus te worden gecompenseerd. De minister acht het daarbij wenselijk om al de betrokken medewerkers op gelijke en transparante wijze te compenseren. De minister heeft daarbij onder meer acht geslagen op de systematiek in de ‘Inschalingsrichtlijn voor bewaarders/complexbeveiligers GW bij indiensttreding en het toekennen van periodieken in het eerste jaar en toepassingsrichtlijn voor zittend bewakingspersoneel’ (circulaire). De minister is tot de conclusie gekomen dat hanteren van de systematiek in de circulaire een niet te rechtvaardigen ongelijkheid in de compensatie van de afzonderlijke medewerkers met zich brengt. Het toekennen van een gratificatie heeft dit ongewenste effect niet. Daarbij is tot uitgangspunt genomen dat een gratificatie ter grootte van één bruto maandsalaris overeenkomt met het bedrag van één periodiek over een periode van vijf jaar, aldus de minister.
In het ten aanzien van [naam] genomen - separate - besluit van 31 januari 2013 (besluit 2) heeft de minister vastgesteld dat deze appellante reeds bij besluit van 14 mei 2008 is gecompenseerd in verband met de circulaire. Bij dit besluit is haar één extra periodiek toegekend. Deze appellante komt daarom niet in aanmerking voor de gevraagde compensatie, aldus de minister.
Het ten aanzien van de erven en/of rechtverkrijgenden van[naam] genomen besluit van 3 mei 2013 (besluit 3) is van gelijke strekking als besluit 1.
Blijkens hun schriftelijke zienswijzen kunnen appellanten zich niet (geheel) met de besluiten van 31 januari 2013 en 3 mei 2013 verenigen. Deze besluiten worden daarom op de voet van artikel 6:19 van de Awb bij het geding betrokken.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Besluiten 1 en 3
Appellanten [naam] uitgezonderd) betogen onder verwijzing naar de circulaire dat de bij de besluiten 1 en 3 toegekende compensatie onvoldoende recht doet aan de gedane toezeggingen. Volgens deze appellanten kan de hoogte van de compensatie enkel in het licht van de circulaire worden vastgesteld. De Raad kan appellanten hierin niet volgen. In tussenuitspraak 1 is tot uitgangspunt genomen dat appellanten de vaststelling door de rechtbank dat zij op grond van de in de circulaire opgenomen (overgangs)bepalingen niet in aanmerking komen voor toekenning van extra periodieken niet hebben bestreden en dat het geschil in hoger beroep zich aldus toespitst op de vraag of sprake is van een rechtens te honoreren opgewekt vertrouwen. Het onder 1.4 weergegeven oordeel van de Raad staat ook
geheel los van de circulaire. Bij de beantwoording van de vraag of de minister bij de
besluiten 1 en 3 het door de Raad geconstateerde gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld komt daarom - ook de minister heeft dit overigens uit het oog verloren - geen betekenis toe aan de circulaire. Het betoog slaagt in zoverre niet.
De besluiten 1 en 3 kunnen niettemin geen standhouden. Anders dan de minister veronderstelt, laat het in de tussenuitspraken neergelegde oordeel dat sprake is van een stellig geformuleerde toezegging dat iedereen, dus ook het zittend personeel, opnieuw zou worden ingeschaald en dat ook dit personeel in aanmerking kwam voor (twee) extra periodieken, althans ophoging van het salaris, geen ruimte voor het standpunt dat kan worden volstaan met een compensatie in de vorm van een gratificatie ter grootte van één bruto maandsalaris. Daarbij is in aanmerking genomen dat het toekennen van een gratificatie niet op één lijn valt te stellen met het toekennen van (een) extra periodiek(en), althans ophoging van het salaris. Een hogere inschaling werkt door in het pensioen en eventuele werkloosheidsuitkeringen waarop een betrokkene te zijner tijd aanspraak kan maken. Dit is niet het geval bij een gratificatie. Een gratificatie heeft immers naar haar aard in beginsel geen permanent karakter en betreft geen vast loonbestanddeel (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 april 2005, LJN AT3986).
Besluit 2
Namens [naam] is - onbestreden - gesteld dat het onder 2.1.2 genoemde besluit van
14 mei 2008 zijn grond vindt in een bevordering van deze appellante per 1 februari 2008. Appellante betoogt daarom terecht dat het besluit van 14 mei 2008 geheel losstaat van de hier aan de orde zijnde vraag of de bij besluit 2 toegekende compensatie voldoende recht doet aan de gedane toezeggingen. In het besluit van 14 mei 2008 kan dus geen grond worden gevonden voor het door de minister ingenomen standpunt dat appellante al voldoende is gecompenseerd.
Slotoverwegingen
Het voorgaande betekent dat de besluiten van 31 januari 2013 (besluiten 1 en 2) en 3 mei 2013 (besluit 3) niet in stand kunnen blijven. De Raad ziet nu geen mogelijkheden tot finale geschilbeslechting meer binnen zijn bereik en komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraken, en hetgeen onder 3.1 tot en met 3.3 is overwogen tot de hierna te melden beslissing.
Er bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.416,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.360,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2013.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) S.K. Dekker
HD
Lijst van appellanten:
Procedurenummers Appellanten Woonplaats
AW, 13/1455 AW [naam] [woonplaats]
AW, 13/1456 AW[naam][woonplaats]
AW, 13/1457 AW[naam]
AW, 13/1458 AW [naam] [woonplaats]
AW, 13/1459 AW [naam]
AW, 13/1460 AW[naam] [woonplaats]
AW, 13/1461 AW, [naam][woonplaats]
AW, 13/1462 AW [naam]
AW, 13/1463 AW [naam] [woonplaats]
AW, 13/1464 AW[naam]
AW, 13/1465 AW[naam] [woonplaats]
AW, 13/1466 AW [naam]
AW, 13/1467 AW [naam] [woonplaats]
AW, 13/1468 AW [naam]
AW, 13/1469 AW [naam] [woonplaats]
AW, 13/1470 AW [naam]
AW, 13/1471 AW [naam] [woonplaats]
AW, 13/1472 AW[naam]
AW, 13/3377 AW de erven en/of rechtverkrijgenden van [naam], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats]