BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Bij besluit van 8 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 380,- afgewezen op de grond dat overeenkomstig buitenwettelijk begunstigend beleid van de gemeente Utrecht deze aanvraag niet binnen twee weken na afgiftedatum van de nota is ingediend. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het college heeft bij brief van 23 maart 2012 te kennen gegeven dat het beleid per 1 februari 2012 is gewijzigd in die zin dat een aanvraag nu uiterlijk zes weken na afgifte van de toevoeging of nota moet zijn ingediend. Het college is van mening dat het bestreden besluit overeenkomstig het destijds geldende beleid op de juiste gronden is genomen. In het kader van de finale geschilbeslechting heeft het college overeenkomstig het nieuwe beleid alsnog bijzondere bijstand ter hoogte van € 380,- aan appellante vergoed.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 5 juli 2011, LJN BR2130) is eerst sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van een bezwaar of het indienen van beroep of hoger beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
Met het alsnog verstrekken van de gevraagde bijzondere bijstand is het belang van appellante bij een beoordeling van het bestreden besluit in hoger beroep in beginsel komen te vervallen. Appellante stelt dat zij een procesbelang heeft in verband met vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten en de gemaakte proceskosten. Vaststaat dat appellante destijds geen verzoek heeft gedaan tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten, zodat deze kosten ingevolge artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht reeds op die grond niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Voorts kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellante verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Dit brengt mee dat appellante geen tot haar persoon te herleiden belang meer heeft bij de beoordeling ten gronde van het bestreden besluit.
Geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) T.A. Meijering (getekend) E.C.R. Schut
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep