OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt vanaf 4 februari 1997 bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). [In] 2008 is de moeder van appellant overleden. Op 28 april 2010 heeft appellant zijn aandeel in de erfenis ontvangen.
Bij besluit van 8 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 april 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken en de verleende bijstand over de periode van 25 september 2008 tot en met 30 april 2010 ten bedrage van € 18.201,13 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant als gevolg van de verkoop van de woning van zijn moeder op 28 april 2010 beschikte over een vermogen ten bedrage van
€ 73.782,10 boven het vrij te laten bescheiden vermogen. Vanaf 1 mei 2010 heeft appellant daarom geen recht op bijstand. De aan appellant verleende bijstand over de periode van
25 september 2008 tot en met 30 april 2010 wordt met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB van hem teruggevorderd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering worden overgegaan.
Of het bijstandverlenend orgaan op basis van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB over kan gaan tot terugvordering hangt in de eerste plaats af van de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend. Verder is vereist dat de ontvangen middelen, teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige overige vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschrijden. Opmerking verdient in dit verband dat bedoelde aanspraken zowel vóór als na de aanvang van de bijstandsverlening kunnen zijn ontstaan. Ligt het tijdstip waarop de aanspraken op de desbetreffende middelen zijn ontstaan vóór de aanvang van de bijstandsverlening, dan is de situatie bij de aanvang van de bijstandsverlening beslissend. Is dat niet het geval dan geldt als de peildatum de dag waarop de aanspraken op de desbetreffende middelen zijn ontstaan. In aanmerking genomen dat appellant vanaf 4 februari 1997 bijstand ontving en de aanspraak van appellant op zijn erfdeel ontstond op het tijdstip van overlijden van zijn moeder, geldt in dit geval 25 september 2008 als peildatum.
Appellant heeft aangevoerd dat het college bij de vaststelling van de omvang van het vermogen op de peildatum, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn schulden. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 23 juni 2009, LJN BJ0853) kan ter bepaling van de vermogenssituatie van een betrokkene slechts rekening worden gehouden met een schuld voor zover deze aannemelijk is gemaakt en voor zover aan die schuld ook een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op de peildatum dergelijke schulden had. De beroepsgrond slaagt niet.
Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Hij heeft geen inkomen of vermogen. Hij is ziek en niet in staat zijn ziektekostenverzekering te betalen. Ook heeft hij huisvestingsproblemen.
Het beleid dat door het college met betrekking terugvordering wordt gevoerd is neergelegd in de Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Venlo (Beleidsregels) en houdt in dat altijd tot terugvordering wordt overgegaan, tenzij het terug te vorderen bedrag lager is dan € 125,-, dan wel wanneer dringende redenen aanwezig zijn. Van dringende redenen kan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt, waarbij tevens aannemelijk zal moeten zijn dat de betrokkene niet kon weten dat hij ten onrechte bijstand ontving. De financiële situatie van de belanghebbende wordt in ieder geval niet als dringende reden opgevat. Aangezien bij terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, zoals hier aan de orde, geen sprake is van ten onrechte verleende bijstand, begrijpt de Raad de voorlaatste zinsnede aldus dat aannemelijk moet zijn dat de betrokkene niet kon weten dat hij met een terugvordering zou kunnen worden geconfronteerd. Daarvan uitgaande heeft het college gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde Beleidsregels. Tussen partijen is immers niet in geschil dat appellant ervan op de hoogte was dat de aan hem verleende bijstand mogelijk zou worden teruggevorderd na ontvangst van zijn erfdeel. Wat appellant verder heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van de Beleidsregels had moeten afwijken. De beroepsgrond slaagt niet.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2013.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) M. Sahin