ECLI:NL:CRVB:2013:1615

ECLI:NL:CRVB:2013:1615, Centrale Raad van Beroep, 21-08-2013, 11-3229 WMO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 21-08-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11-3229 WMO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 8 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget, na eerdere beëindiging (zie: ECLI:NL:CRVB:2013:1487,). Door te toetsen aan art 4:6 Awb heeft het college onjuiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat ten tijde van de nieuwe aanvraag wel aan de vereisten wordt voldaan om voor een pgb voor huishoudelijke verzorging in aanmerking te komen. Uit de aangevoerde omstandigheid dat aan appellante weer een bijstandsuitkering wordt verstrekt volgt niet dat appellante niet meer in staat is om huishoudelijke werkzaamheden voor zichzelf te verrichten. De aangevoerde verslechtering van de gezondheid van appellante is niet met medische stukken onderbouwd.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan appellante is een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor hulp bij het huishouden over de perioden van 10 april 2007 tot en met 10 april 2008 en van 21 april 2008 tot en met 31 januari 2010.

Bij besluit van 19 maart 2010 heeft het college het aan appellante toegekende pgb over voornoemde perioden beëindigd (lees: ingetrokken), naar aanleiding van de resultaten van een door de sociale recherche ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Bij besluit van 10 juni 2010 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 maart 2010 ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat appellante in staat is de huishoudelijke taken waarvoor zij pgb heeft ontvangen, zelfstandig uit te voeren, nu uit het door de sociale recherche ingestelde onderzoek is gebleken dat appellante schoonmaakwerkzaamheden bij derden heeft verricht.

Appellante heeft op 17 maart 2010 bij het college opnieuw een pgb voor huishoudelijke verzorging aangevraagd. Bij besluit van 19 april 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden, onder verwijzing naar artikel 4:6, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij het besluit van 17 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 19 april 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft daartoe onder meer overwogen dat de psychische problemen van appellante en het gegeven dat aan appellante opnieuw een bijstandsuitkering is toegekend geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden opleveren.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een relevante wijziging van de omstandigheden die hebben geleid tot de eerdere beëindiging, zodat het college de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:6 van de Awb mocht afwijzen.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bij het onder 1.2. genoemde besluit van 10 juni 2010 heeft het college de intrekking van het aan appellante toegekende pgb voor huishoudelijke hulp over de perioden van

10 april 2007 tot en met 10 april 2008 en van 21 april 2008 tot en met 31 januari 2010 gehandhaafd. Met de uitspraak van de Raad van heden in de zaak 12/2890 WMO is deze intrekking rechtens onaantastbaar geworden. De aanvraag van appellante van 17 maart 2010 ziet niet op de hiervoor genoemde perioden, maar op een nieuwe periode na de intrekking van het pgb op de onder 1.2 genoemde grond. Met deze latere aanvraag is, reeds omdat de voor de beoordeling ervan relevante feiten en omstandigheden naar hun aard gewijzigd kunnen zijn, een nieuw beoordelingsmoment gegeven, zodat niet kan worden gesproken van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Dit betekent dat het college deze bepaling ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan het in het bestreden besluit van 17 september 2010 gehandhaafde besluit van 19 april 2010. Het betekent voorts dat de rechtbank, door in de aangevallen uitspraak te oordelen dat het college de aanvraag van 17 maart 2010 bij afweging van de betrokken belangen onder toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, heeft kunnen afwijzen, een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft vermeld.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak van 14 april 2011 in rechte geen stand houdt en wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit van 17 september 2010 vernietigen.

Met het oog op de finale beslechting van het geschil is van belang of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe zal de Raad beoordelen of het college de aanvraag van appellante van 17 maart 2010 terecht heeft geweigerd.

Gelet op het feit dat aan appellante tot kort voor haar aanvraag een pgb voor huishoudelijke verzorging is toegekend dat op de onder 1.2 genoemde grond terecht is ingetrokken, ligt het op haar weg om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op 17 maart 2010 wel aan de vereisten wordt voldaan om voor een pgb voor huishoudelijke verzorging in aanmerking te komen. De Raad is met het college van oordeel dat van zodanige wijziging in de omstandigheden in dit geval niet is gebleken. Het college heeft aan de intrekking van de verstrekking van het pgb onder meer ten grondslag gelegd dat appellante in staat is de huishoudelijke taken waarvoor zij pgb heeft ontvangen, zelfstandig uit te voeren, omdat zij schoonmaakwerkzaamheden bij derden heeft verricht. Uit de aangevoerde omstandigheid dat aan appellante weer een bijstandsuitkering wordt verstrekt volgt niet dat appellante niet meer in staat is om huishoudelijke werkzaamheden voor zichzelf te verrichten. Ook het betoog van appellante dat zij door chronische rug- en psychische klachten niet in staat is de huishoudelijke taken waarvoor eerder een pgb was toegekend, zelfstandig te verrichten, gaat niet op. Weliswaar blijkt uit de verklaring van de behandelend psycholoog C. Tunca en de behandelend psychiater F. Kaya van 29 januari 2010 en uit de informatie van de huisarts C. Collette van onder meer

3 augustus 2011 van lichamelijke en psychische klachten, maar deze hebben appellante niet belet om vanaf 3 mei 2006 schoonmaakwerkzaamheden voor derden te verrichten. De aangevoerde verslechtering van de gezondheid van appellante is niet met medische stukken onderbouwd.

Uit hetgeen onder 5.1 is overwogen volgt dat het college de aanvraag van 17 maart 2010 terecht heeft afgewezen en dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van € 1.888,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 17 september 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) J.R. Baas

QH

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2013/135
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?