ECLI:NL:CRVB:2013:1655

ECLI:NL:CRVB:2013:1655, Centrale Raad van Beroep, 04-09-2013, 13-873 AWBZ

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 04-09-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13-873 AWBZ
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0018450 BWBR0018451 BWBR0018472

Samenvatting

In geschil is de vraag of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het besluit van 24 juni 2010 in ieder geval op 9 augustus 2010 bij appellante bekend was. Gelet op het telefoongesprek van 9 augustus 2010 is aannemelijk dat het besluit op 5 augustus 2010 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dit betekent dat het bezwaarschrift ruim na afloop van de termijn is ingediend. Appellante heeft haar beroep op verschoonbare termijnoverschrijding niet onderbouwd, zodat er geen aanleiding is niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1.1. Het Zorgkantoor heeft aan appellante over 2009 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend. Appellante had een zorgovereenkomst met Raad en Daad Thuisbegeleiding. Deze organisatie is op 30 december 2009 failliet verklaard.

1.2. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellante over 2009 lager vastgesteld dan het toegekende bedrag wegens het niet volledig verantwoorden van het over die periode toegekende bedrag. Daarbij heeft het Zorgkantoor een bedrag van € 9.171,29 van appellante teruggevorderd. Het besluit is geadresseerd aan appellante en niet aangetekend verzonden. Op het besluit zoals dat door het Zorgkantoor is ingezonden, staat een handgeschreven aantekening “4/5 augustus 2010 verstuurd”.

1.3. Bij brief van 1 april 2011 heeft het Zorgkantoor - voor zover hier van belang - aan appellante meegedeeld dat de budgetvaststelling over 2009 definitief was, nu appellante hiertegen geen bezwaar had gemaakt. Daarbij heeft het Zorgkantoor te kennen gegeven dat er geen reden was de terugvordering verder op te schorten.

1.4. Appellante heeft bij brief van 11 mei 2011 bezwaar gemaakt tegen zowel de budgetvaststelling 2009 als de brief van 1 april 2011. Hierbij heeft zij gesteld de budgetvaststelling 2009 niet te hebben ontvangen.

1.5. Bij besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat gezien de verzending van het besluit van 24 juni 2010 op 5 augustus 2010 het bezwaarschrift te laat was ingediend. Uit de telefoonregistratie van het Zorgkantoor blijkt dat appellante op

9 augustus 2010 heeft gebeld naar aanleiding van de budgetvaststelling 2009. Zij was dus op de hoogte van dit besluit, aldus het Zorgkantoor. De termijnoverschrijding heeft het Zorgkantoor niet verschoonbaar geacht.

2.1. In beroep heeft het Zorgkantoor een elektronisch memo-overzicht overgelegd. Hierop staat bij de datum 9 augustus 2010: “(..) Graag meneer tb betreft BAF Raad en Daad 2009. Meneer moet nu een bedrag van 9171.29 terugbetalen. Klopt vlgns hem niet. Graag nakijken en tb (..)”. Ter zitting van de rechtbank heeft de vertegenwoordiger van het Zorgkantoor toegelicht dat met “BAF” budgetafrekening wordt bedoeld. Appellante en haar partner hebben desgevraagd ontkend te hebben gebeld met het Zorgkantoor.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover dit besluit betrekking heeft op het bezwaar tegen de brief van 1 april 2011. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit geheel in stand blijven en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit het overgelegde memo kan worden opgemaakt dat het besluit van 24 juni 2010 op 9 augustus 2010 bij appellante bekend moet zijn geweest. Gelet hierop is aannemelijk dat het besluit op 5 augustus 2010 aan appellante is verzonden en daarmee op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De bezwaartermijn is dan ook overschreden. De brief van 1 april 2011 behelst naar het oordeel van de rechtbank geen besluit, nu deze brief niet op rechtsgevolg is gericht.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het besluit van 24 juni 2010 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, zodat haar bezwaar tijdig moet worden geacht. Het Zorgkantoor heeft onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 5 augustus 2010 is verzonden. Bekendmaking van dit besluit had bovendien moeten plaatsvinden aan Raad en Daad, die optrad als gemachtigde.

3.2. De rechtbank heeft volgens appellante voorts ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de telefoonnotitie bedoeld in 2.1.

3.3. Subsidiair heeft appellant een beroep gedaan op verschoonbare termijnoverschrijding.

3.4. Met betrekking tot de brief van 1 april 2011 heeft appellante aangevoerd dat deze wel op rechtsgevolg is gericht, omdat daarbij de terugvordering niet langer werd opgeschort. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ieder rechtsmiddel moet kunnen aanwenden, nu zij buiten haar schuld in deze situatie is beland.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

In geschil is of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het besluit van 24 juni 2010 in ieder geval op 9 augustus 2010 bij appellante bekend was.

De stelling van appellante dat het besluit bekend moest worden gemaakt aan Raad en Daad, en nu dit niet is gebeurd er geen bekendmaking heeft plaatsgevonden, slaagt niet. Raad en Daad was ten tijde van het nemen van het besluit al failliet verklaard zodat terecht geen verzending aan Raad en Daad heeft plaatsgevonden. Overigens is ook de daaraan voorafgaande brief van 21 mei 2010 van het Zorgkantoor aan appellante gezonden.

Nu het besluit waarvan appellante de ontvangst ontkent niet aangetekend is verzonden, moet het Zorgkantoor aannemelijk maken dat het besluit is verzonden. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Een dergelijke verzendadministratie ontbreekt. De handgeschreven aantekening op het besluit volstaat niet, nu daaruit niet blijkt dat het besluit daadwerkelijk aan TNT ter verzending is aangeboden. De telefoonnotitie geeft echter voldoende aanwijzing voor de ontvangst van het besluit door appellante, waarmee ook de verzending aannemelijk is. Hierbij is van belang dat in de telefoonnotitie de budgetafrekening 2009 wordt genoemd, met precies het van appellante teruggevorderde bedrag. Er is geen enkele aanwijzing dat de brief aan appellante ook aan derden is gezonden en deze derden buiten appellante om met het zorgkantoor hebben gebeld. Evenmin zijn er aanwijzingen dat het zorgkantoor een notitie heeft opgesteld van een niet gevoerd telefoongesprek.

Gelet op het telefoongesprek van 9 augustus 2010 is aannemelijk dat het besluit op

5 augustus 2010 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dit betekent gelet op het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht dat het bezwaarschrift ruim na afloop van de termijn is ingediend. Appellante heeft haar beroep op verschoonbare termijnoverschrijding niet onderbouwd, zodat er geen aanleiding is

niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten. De bepalingen over de bezwaartermijn zijn van openbare orde. Het belang van appellante bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar kan hieraan niet afdoen.

Met betrekking tot de brief van 1 april 2011 geldt dat, zoals ter zitting aan de orde is geweest, er nimmer een besluit tot opschorting van de terugvordering is genomen. De terugvordering is nimmer opgeschort geweest. De brief van 1 april 2011 brengt geen verandering in de bestaande situatie. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de brief geen rechtsgevolg heeft en ook niet gericht was op rechtsgevolg en dus niet is aan te merken als een besluit.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) H.J. Dekker

HD

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JB 2013/211
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?