OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij brief van 10 december 2010 heeft mr. Van der Wal namens appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de aanschaf van een bankstel tot een bedrag van
€ 700,-. Naderhand is het college gebleken dat het de vervanging van een in 2007 door appellante aangeschaft bankstel betrof. Om de noodzaak van deze vervanging te kunnen beoordelen, heeft het college op 8 maart 2011 een huisbezoek in de woning van appellante afgelegd, waarbij een, in goede staat verkerende, vijfzitsbank is aangetroffen. De tijdens het huisbezoek aanwezige broer van appellante verklaarde dat deze bank hem toebehoorde en even in de woning van appellante stond, omdat zijn woning werd opgeknapt.
Bij besluit van 21 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college afwijzend op de aanvraag beslist.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het college zich in beroep terecht op het nadere standpunt heeft gesteld dat geen noodzaak bestond om bijzondere bijstand voor de gevraagde kosten toe te kennen zolang appellante de beschikking had en gebruik kon maken van het in haar woning aanwezige bankstel.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellante stelt zich op het standpunt dat ten onrechte geen noodzaak voor de aanschaf van een nieuw bankstel is aangenomen. Zij heeft er daarbij op gewezen dat het in haar woning aangetroffen bankstel van haar broer is. Hij heeft het aan appellante te leen gegeven tot het moment dat zij zelf in staat is een bankstel aan te schaffen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vaststaat dat tijdens het huisbezoek op 8 maart 2011 in het kader van de beoordeling van de aanvraag om bijzondere bijstand in de woning van appellante een bankstel aanwezig was dat in goede staat verkeerde. De door appellante gestelde omstandigheid dat dit bankstel haar slechts ter lening door haar broer was verstrekt, doet, wat hier verder van zij, er niet aan af dat zij de beschikking had over een goed bankstel. Dit betekent dat geen sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand zodat appellante geen recht heeft op bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van een bankstel.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.F. Claessens en
G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) M. Sahin