OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij brief van 24 april 2012 heeft het college aan appellant meegedeeld dat wegens teveel ontvangen bijstand een aflossingsbedrag resteert van € 1.894,38. Voorts is daarbij aan appellant meegedeeld dat is besloten het tegoed aan vakantiegeld ter hoogte van een bedrag van € 330,41 te verrekenen met het bedrag dat appellant nog aan het college moet terugbetalen en dat hierna een bedrag resteert van € 1.563,97.
Namens appellant is bij brief van 21 mei 2012 bezwaar gemaakt tegen de brief van
24 april 2012. Hierbij heeft appellant te kennen gegeven dat hij het met de terugvordering niet eens is.
Bij besluit van 31 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de mededeling in de brief van 24 april 2012 over de terugvordering van informatieve aard is en geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Enkel het gegeven dat het vakantiegeld van appellant is verrekend met de vordering van € 1.894,38 heeft in zoverre rechtsgevolgen, maar de bezwaren van appellant richten zich daar niet tegen.
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hierbij heeft appellant te kennen gegeven dat zijn bezwaar zich niet enkel richtte tegen de terugvordering, maar ook tegen de verrekening van het vakantiegeld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Niet in geschil is dat het bezwaar van appellant, voor zover zich dat richtte tegen de terugvordering, terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant bezwaar heeft gemaakt tegen de verrekening van het vakantiegeld.
Ingevolge artikel 6:13 van de Awb - voor zover hier van belang - kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Deze bepaling moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003/04, 29 421, nr. 3, blz. 5 e.v., en 2004/05, 29 421 nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij bezwaar heeft gemaakt, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten tegen een onderdeel geen bezwaar te hebben gemaakt.
Opgemerkt wordt in de eerste plaats dat de onder 1.1 genoemde brief een besluit tot verrekening bevat, dat zelfstandig voorwerp van bezwaar, beroep en hoger beroep kan zijn. Anders dan appellant heeft gesteld heeft hij in zijn onder 1.2 genoemde bezwaarschrift enkel bezwaren tegen de terugvordering van ten onrechte genoten bijstand geformuleerd. Hij heeft daarin geen bezwaren aangevoerd tegen het besluit tot verrekening. Om die reden moet worden vastgesteld dat tegen het besluit tot verrekening geen bezwaar is gemaakt. De omstandigheid dat appellant tijdens de zitting bij de Raad heeft meegedeeld dat de inhoud en strekking van de brief van 24 april 2012 voor hem destijds onduidelijk was, maakt dit niet anders. Appellant, die in zijn bezwaarschrift precies heeft omschreven wat zijn bezwaren tegen de terugvordering waren, had die onduidelijkheid destijds schriftelijk aan het college kenbaar kunnen maken en om verduidelijking kunnen vragen. Nu hij dit heeft nagelaten en voor het eerst in beroep bij de rechtbank heeft aangegeven het niet eens te zijn met het besluit tot verrekening, had, gelet op artikel 6:13 van de Awb, het beroep aangaande dit besluit niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, moet het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover zich dat richt tegen het besluit tot verrekening, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013.
(getekend) J.F. Bandringa
(getekend) P.C. de Wit
sg