ECLI:NL:CRVB:2013:2468

ECLI:NL:CRVB:2013:2468, Centrale Raad van Beroep, 18-11-2013, 12-5618 AOW-W

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-11-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12-5618 AOW-W
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Afwijzing wrakingsverzoeken. In de feiten en omstandigheden, die zowel bij het wrakingsverzoek als bij de klacht, waarnaar in het wrakingsverzoek is verwezen, ten aanzien van mr. De Vries naar voren zijn gebracht heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing dat mr. De Vries jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat bij verzoeker daartoe een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. De algemeen geformuleerde wrakingsgronden met betrekking tot het rechter-plaatsvervangerschap hebben geen betrekking op de persoon van prof.mr. Stroink. Dat plaatsvervangers als zodanig met rechtspraak zijn belast is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. Dat rechter-plaatsvervangers doorgaans geen direct leidinggevende hebben bij een gerecht maakt dat niet anders. Prof.mr. Stroink voldoet overigens zowel aan de wettelijke vereisten voor een benoeming tot rechter-plaatsvervanger als aan de (inhoudelijke) voorwaarden die door de Raad voor de Rechtspraak worden gesteld aan alle rechters, of deze nu vast benoemd zijn of als plaatsvervanger.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking van mr. De Vries primair ten grondslag gelegd dat mr. De Vries blijkens de onder zijn voorzitterschap gedane uitspraak van 19 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1466, niet onvooringenomen is ten aanzien van de thans nog aanhangige beroepszaak van verzoeker. Naar hij hierover stelt heeft mr. De Vries in strijd gehandeld met de Awb en het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door in de zaak die tot bedoelde uitspraak heeft geleid niet aan waarheidsvinding te doen. Subsidiair is aan het verzoek ten grondslag gelegd dat mr. De Vries betrokken is geweest bij de totstandkoming van voor verzoeker ongunstige rechtspraak.

Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking van prof.mr. Stroink primair ten grondslag gelegd dat deze als rechter-plaatsvervanger niet voldoet aan de uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende eisen en aan de door de Raad voor de Rechtspraak blijkens de “Kernwaarden voor de Rechtspraak” gestelde eisen. In dit verband heeft hij gesteld dat een rechter zonder vaste aanstelling de deskundigheid mist om ingewikkelde zaken zoals die van hem te kunnen beoordelen. Prof.mr. Stroink wordt door verzoeker weliswaar als een specialist gezien, maar niet op het terrein van de sociale zekerheid. Bovendien heeft een plaatsvervanger bij het gerecht (de Centrale Raad van Beroep) geen leidinggevende, zodat hij niet ter verantwoording kan worden geroepen. Subsidiair heeft hij aan het verzoek ten grondslag gelegd dat uit publicaties van prof.mr. Stroink en rechtspraak waarbij hij eerder betrokken was kan worden afgeleid dat hij niet onvooringenomen is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).

Blijkens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8693) heeft onpartijdigheid van een rechter niet reeds te lijden door de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld of dat de rechter al eerder in een of meer andere gedingen over de in geschil zijnde rechtsvraag heeft geoordeeld. Deze rechtspraak geldt evenzeer voor rechters die als plaatsvervanger zitting hebben in de Raad.

In de feiten en omstandigheden, die zowel bij het wrakingsverzoek als bij de klacht, waarnaar in het wrakingsverzoek is verwezen, ten aanzien van mr. De Vries naar voren zijn gebracht heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing dat mr. De Vries jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat bij verzoeker daartoe een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Uit de door verzoeker genoemde uitspraak van 19 juli 2013 kan dit niet worden afgeleid. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in 3.2.

De algemeen geformuleerde wrakingsgronden met betrekking tot het rechter-plaatsvervangerschap hebben geen betrekking op de persoon van prof.mr. Stroink. Dat plaatsvervangers als zodanig met rechtspraak zijn belast is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. De Raad wijst in dit verband op bijvoorbeeld EHRM 21 december 2000,

app.nr. 33958/96 (Wettstein tegen Zwitserland). Dat rechter-plaatsvervangers doorgaans geen direct leidinggevende hebben bij een gerecht maakt dat niet anders. Prof.mr. Stroink voldoet overigens zowel aan de wettelijke vereisten voor een benoeming tot rechter-plaatsvervanger als aan de (inhoudelijke) voorwaarden die door de Raad voor de Rechtspraak worden gesteld aan alle rechters, of deze nu vast benoemd zijn of als plaatsvervanger. Uit de (wetenschappelijke) publicaties van prof.mr. Stroink over de Algemene wet bestuursrecht en hoe deze wet zich verhoudt tot Europese regelgeving kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat sprake is van vooringenomenheid jegens verzoeker.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat de verzoeken om wraking van mr. De Vries en

prof.mr. Stroink moeten worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst de wrakingsverzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.F. Bandringa en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Stroink over de Algemene wet bestuursrecht

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2013/2531 BA 2013/283 Abkort 2013/443 AB 2014/335 met annotatie van R. Ortlep JB 2014/19
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?