OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 22 september 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 28 juni 2011 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.
1.2. Bij besluit van 6 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 22 september 2011 gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe - na vastgesteld te hebben dat appellante geen
IVA-uitkering wil, maar een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) met indeling in klasse 80-100% - overwogen dat het in de situatie van appellante voor de hoogte van haar uitkering niet uitmaakt wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze tenminste 35% bedraagt. De rechtbank was van oordeel dat het resultaat dat appellante in deze procedure nastreeft, ook indien dat tot gevolg zou hebben dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid wordt gesteld op 80% of meer, geen feitelijke betekenis voor haar kan hebben. Appellante beoogt geen wijziging te brengen in de hoogte en of ingangsdatum van de aan haar toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtsverhouding tussen appellante en het Uwv zal daarom in dit opzicht en ook anderszins niet wijzigen ten gevolge van een oordeel van de rechtbank in het beroep. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 16 december 2009 (LJN BK7036) en 22 februari 2012 (LJN BV6627) heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante aan het gegeven dat bij volledige arbeidsongeschiktheid pensioenopbouw premievrij wordt voortgezet, geen procesbelang kan ontlenen. Naar het oordeel van de rechtbank raakt dit gegeven de rechtsverhouding tussen appellante en het Uwv, zoals neergelegd in het bestreden besluit, niet.
In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het resultaat wat zij nastreeft heeft wel degelijk feitelijke betekenis. Het maakt voor haar, los van de vraag of dat voor de uitbetaling van haar WIA-uitkering gevolgen heeft, wel degelijk uit wat de mate van arbeidsongeschiktheid is. Immers, enkel in geval van volledige arbeidsongeschiktheid kan haar pensioenopbouw premievrij worden voortgezet. Volgens appellante gaat de door de rechtbank gemaakte vergelijking met de aangehaalde rechtspraak van de Raad mank.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In de uitspraak van 15 februari 2013 (LJN BZ1485) heeft de Raad geoordeeld dat bij de vraag of procesbelang aanwezig is, moet worden betrokken het gevolg dat het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% heeft voor de soort en de hoogte van de
WGA-uitkering na afloop van de LGU. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een LGU ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft. Procesbelang kan vervallen zijn als op een later moment in de hiervoor genoemde periode van 24 maanden tijdens het ontvangen van een LGU de arbeidsongeschiktheid ten minste twee maanden meer dan 80% bedraagt. Nu van een dergelijke situatie in dit geval geen sprake is heeft appellante haar procesbelang niet verloren. De Raad kan daarom in het midden laten of in een procedure als deze, waarin het gaat om een aanspraak op een WIA-uitkering, een procesbelang kan zijn gelegen in de mogelijke indirecte gevolgen in de pensioensfeer.
Hetgeen in 4.1 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
Met toepassing van artikel 8:115 van de Algemene wet bestuursrecht verwijst
de Raad de zaak terug naar de rechtbank ter beslissing op het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit van 6 maart 2012.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 472,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
€115,- vergoedt;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 472,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) G.J. van Gendt