OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 16 juli 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij vanaf 1 augustus 2009 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) krijgt. Daarbij is vastgesteld dat appellant meer dan 35% maar minder 80% arbeidsongeschikt is.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 29 april 2010 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar gegrond verklaard, in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd van 70,91% naar 75,12%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellant moet nemen. Ten aanzien van de medische grondslag van het besluit heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet om te oordelen dat het onderzoek door de (bezwaar)verzeringsarts onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om de bezwaarverzekeringsarts in zijn bevindingen, argumentatie en oordeel niet te volgen. Met de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen beperkingen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende tegemoet gekomen aan de energetische beperkingen van appellant. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit een toereikende motivering ontbeert omdat de bezwaararbeidsdeskundige niet alle signaleringen heeft toegelicht en het Uwv, nu deze niet ter zitting is verschenen, ook geen nadere toelichting heeft kunnen geven.
Met betrekking tot de aangevallen uitspraak heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de (bezwaar)verzekeringsarts zijn belastbaarheid juist heeft vastgesteld, dat hij in staat moet worden geacht 20 uur per week te werken en dat de aanvangstijd voor 10.00 uur in de ochtend kan liggen. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met zijn progressieve vermoeidheidsklachten.
Ten aanzien van de aangevallen uitspraak komt de Raad tot de volgende beoordeling.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en kennisgenomen van de medische informatie van derden, waaronder de behandelend internist-infectioloog en psychiater. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts overleg gepleegd met de verzekeringsarts over het tijdstip van aanvang van de arbeid in de morgen. Op basis van zijn bevindingen heeft hij de FML van 24 maart 2010 opgesteld, waarbij hij onder meer rekening heeft gehouden met de energetische beperkingen van appellant. De Raad deelt niet appellants standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts bij het vaststellen van die FML geen rekening heeft gehouden met de (erkende) toename van de vermoeidheidsklachten. Appellant miskent dat de bezwaarverzekeringsarts hem - ten opzichte van de FML van 2008 - aanvullend beperkt heeft geacht voor avond- en nachtwerk en de aanvangstijd van het werk niet in de vroege ochtend (niet voor 8.00 uur) mag liggen. Ook miskent appellant dat er in de FML van 2008 sprake was van een urenbeperking van 20 uur met een bandbreedte en deze bandbreedte in de FML van 24 maart 2010 is komen te vervallen. Uit de medische gegevens is, ook naar het oordeel van de Raad, niet af te leiden dat de behandelend artsen een grotere urenbeperking voorstaan dan de 20 uur die thans is aangenomen dan wel dat de aanvangstijd van zijn werk niet voor 10.00 uur in de ochtend kan liggen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken ingediend die een ander licht op de zaak werpen. Er bestaat derhalve geen aanleiding een deskundige te benoemen zoals door appellant is verzocht.
Hetgeen is overwogen onder 4.1 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit van 24 maart 2011 (bestreden besluit 2) genomen. Appellant heeft aangegeven dat met bestreden besluit 2 niet volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. De Raad zal derhalve dit besluit met toepassing in hoger beroep van artikel 6:24 in verbinding met de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure betrekken.
De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij rapport van 21 maart 2011 toegelicht waarom de bij bestreden besluit 1 voorgehouden functies gehandhaafd kunnen blijven. Hij heeft de schatting wederom gebaseerd op de functies van samensteller kunststof en rubberindustrie (SBC-code 271130), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en inpakker (SBC-code 111190). Daarbij heeft hij de signaleringen die nog niet van een toelichting waren voorzien alsnog nader toegelicht. De Raad ziet geen grond voor twijfel aan de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige. Hij acht de bij deze functies voorkomende signaleringen in dit rapport afdoende gemotiveerd.
Zowel de arbeidsdeskundige als de bezwaararbeidsdeskundige heeft bij de (her)berekening van het maatmanloon geen rekening gehouden met de vergoeding van niet opgenomen vakantiedagen. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat een dergelijke betaling niet als loonvormend wordt gezien, maar als eenmalige vergoeding voor de niet opgenomen vakantiedagen. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit verband voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid sprake was van een structureel genoten loonelement.
De eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling dat bij de berekening van het maatmanloon eveneens rekening had moeten worden gehouden met de vergoedingen voor lunch en diner, wordt als tardief aangemerkt. De beginselen van een goede procesorde verzetten zich tegen een beoordeling van die stelling.
Hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen moet leiden tot de slotsom dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en H.C.P. Venema en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) I.J. Penning