ECLI:NL:CRVB:2013:2579

ECLI:NL:CRVB:2013:2579, Centrale Raad van Beroep, 27-11-2013, 11-4404 ZVW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 27-11-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11-4404 ZVW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 7 zaken
20 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001840 BWBR0002221 BWBR0002320 BWBR0002614 BWBR0005252 BWBR0005537 BWBR0008656 BWBR0011353 BWBR0011354 BWBR0017745 BWBR0018450 BWBR0018451 BWBR0018472 BWBR0018715 BWBR0034672 CELEX:31971R1408 CELEX:32004R0883 EU:31971R1408 EU:32004R0883

Samenvatting

Vaststelling buitenlandbijdrage Zvw over 2006 en 2007. Cvz heeft zich voor de berekening van de buitenlandbijdrage terecht gebaseerd op de Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) -beschikkingen van 2006 en 2007. Door de Belastingdienst zijn na bezwaar geen gewijzigde NiNbi-beschikkingen over de jaren 2006 en 2007 vastgesteld. Niet gebleken dat Cvz de bijdrage onjuist heeft berekend.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante woont in België en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van het pensioenfonds Metaal en Techniek.

Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellante door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft zij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in het woonland (België) ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage). Appellante heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van haar woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat appellante met ingang van 1 januari 2006 in België is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.

Bij besluiten van 8 en 22 maart 2010 heeft Cvz aan appellante de definitieve jaarafrekeningen over 2006 en 2007 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdragen over 2006 en 2007 zijn vastgesteld op € 2.780,94 en € 2.708,74.

Bij besluiten van 21 juni 2010 en 5 augustus 2010 (bestreden besluiten) heeft Cvz de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 8 en 22 maart 2010 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat Cvz, door voor de vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2006 en 2007 uit te gaan van de inkomensgegevens zoals vermeld op de Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) beschikkingen, niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Appellante heeft haar stelling dat de NiNbi-beschikkingen onjuist waren omdat geen rekening is gehouden met de vordering op een insolvabele vennootschap niet met stukken onderbouwd. De rechtbank heeft appellante geadviseerd om alsnog en met stukken onderbouwd aan de Belastingdienst een herziening van de NiNbi-beschikkingen te verzoeken. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de grond dat de jaarafrekeningen in strijd met het evenredigheidsbeginsel zijn omdat appellante niet in de gelegenheid is gesteld om de hoge bedragen in termijnen te betalen, verworpen. Appellante heeft, ondanks dat op de definitieve jaarafrekeningen een telefoonnummer voor vragen staat vermeld, geen contact opgenomen met Cvz over een betalingsregeling. Appellante heeft de buitenlandbijdrage betaald en niet is gebleken dat zij daardoor in een financiële noodsituatie is komen te verkeren.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante is Cvz bij de berekening van de buitenlandbijdrage ten onrechte niet uitgegaan van haar daadwerkelijk ontvangen inkomen over 2006 en 2007, maar van de bedragen die zijn vermeld op de NiNbi-beschikkingen waarin haar vordering op een insolvabele vennootschap is begrepen. Verder heeft appellante aangevoerd dat Cvz haar geen (af)betalingsregeling voor de betaling van de buitenlandbijdragen van 2006 en 2007 heeft aangeboden, waardoor Cvz het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante door Cvz is aangemerkt als verdragsgerechtigde, dat zij op grond van Vo. 1408/71 recht heeft op zorg in België ten laste van Nederland en dat zij voor dit recht op zorg een buitenlandbijdrage verschuldigd is.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat Cvz zich voor de berekening van de buitenlandbijdrage terecht heeft gebaseerd op de NiNbi-beschikkingen van 2006 en 2007.

In de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering (Regeling) is dwingend voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden. Op grond van artikel 6.3.1, tweede, zevende en achtste lid van de Regeling en artikel 8, eerste tot en met derde lid, en artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt de buitenlandbijdrage mede vastgesteld aan de hand van de NiNbi-beschikking. De Raad wijst op de toelichting bij de Regeling van 5 april 2007 (Stcrt. 13 april 2007, 72), waarin met betrekking tot artikel 6.3.1 van de Regeling onder meer staat vermeld: “In artikel 8, derde lid, van de Awir is geregeld dat het niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld in aanvulling op het verzamelinkomen en het belastbare loon mede als toetsingsinkomen in aanmerking wordt genomen. Ook hier dient een kenbaar gegeven als bron: het niet in Nederland belastbaar inkomen zoals dat bij beschikking is vastgesteld. Het doel is wederom CVZ te vrijwaren van het beoordelen van de fiscale juistheid van het vermelde inkomen. Pas als het in de beschikking opgenomen niet in Nederland belastbaar inkomen wordt gewijzigd bijvoorbeeld na bezwaar, is er aanleiding een ander toetsingsinkomen in aanmerking te nemen.”

Gelet hierop en mede in aanmerking genomen het verhandelde ter zitting waaruit blijkt dat er door de Belastingdienst na bezwaar geen gewijzigde NiNbi-beschikkingen over de jaren 2006 en 2007 zijn vastgesteld, stelt de Raad vast dat niet gebleken is dat Cvz de bijdrage onjuist heeft berekend.

De grond dat Cvz appellante voor de betaling van de buitenlandbijdragen 2006 en 2007 geen betalingsregeling heeft aangeboden, waardoor appellante genoodzaakt was geld te lenen bij familieleden, kan er niet toe leiden dat Cvz de definitieve jaarafrekeningen over 2006 en 2007 niet kon en mocht vaststellen.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) D.E.P.M. Bary

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?