OVERWEGINGEN
1.1. Bij beslissing op bezwaar van 2 november 2010 (besluit 1) heeft de Svb gehandhaafd zijn besluit van 9 juni 2010 waarbij met ingang van mei 2011 aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is toegekend ter hoogte van 94% van het volledige pensioen voor een gehuwde.
1.2. Hangende het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep tegen besluit 1 heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 29 juli 2011 (besluit 2) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2010 alsnog gegrond verklaard en nader besloten een ouderdomspensioen ingevolge de AOW aan appellant toe te kennen per mei 2011 ter hoogte van 98% van het volledige pensioen voor een gehuwde.
De rechtbank heeft het beroep, voor zover gericht tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en voor zover gericht tegen besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gevonden voor een proceskostenveroordeling en voor een vergoeding van het griffierecht. Daarbij is ten aanzien van het griffierecht overwogen dat het ten behoeve van besluit 1 betaalde griffierecht geacht wordt te zijn betaald ten behoeve van besluit 2.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de Svb niet heeft veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en tot betaling van een proceskostenvergoeding. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de korting van 2% op zijn ouderdomspensioen onjuist is, nu hij niet in Duitsland verzekerd is geweest van 1 december 1967 tot en met 31 oktober 1969.
Ter zitting is door de Svb een overzicht van verzekerde tijdvakken van appellant in Duitsland overgelegd. Daaruit blijkt dat appellant gedurende 23 maanden in Duitsland verzekerd is geweest. Appellant heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken voor zover gericht tegen de korting op zijn AOW-pensioen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is nog slechts in geschil of de rechtbank terecht heeft besloten de Svb niet te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en tot betaling van een proceskostenvergoeding.
Vast staat dat de rechtbank met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen besluit 1 mede gericht heeft geacht tegen besluit 2.
Tevens staat vast dat appellant griffierecht heeft voldaan ten behoeve van het beroep tegen besluit 1. De Svb heeft aanleiding gezien dit besluit niet te handhaven en daarvoor besluit 2 in de plaats te stellen. Anders dan in de situatie waarin een belanghebbende opkomt tegen het uitblijven van een besluit is er geen aanleiding om in de situatie waarin voor een bestreden besluit een ander besluit in de plaats wordt gesteld evenzeer aan te nemen dat het voldane griffierecht geacht wordt te zijn voldaan ten behoeve van het beroep tegen het vervangende besluit. Het beroep is namelijk ingesteld tegen een reëel besluit en diende niet enkel ter aansporing van het bestuursorgaan om te gaan besluiten. Reeds op deze grond komt de aangevallen uitspraak wegens strijd met het artikel 8:74, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
Voorts heeft de rechtbank terecht besloten geen proceskostenvergoeding toe te kennen nu appellant bij de rechtbank geen proceskosten heeft geclaimd en niet is gebleken van ambtshalve voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat de rechtbank heeft verzuimd te bepalen dat de Svb het griffierecht aan appellant dient te vergoeden. De aangevallen uitspraak moet daarom in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad bepalen dat de Svb het in beroep door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Voorts bestaat aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 35,26 aan reiskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en
H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2013.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) D.E.P.M. Bary